In november 1965 duikt Lee Morgan voor de vierde keer dat jaar de studio in. Hij gaat door een bijzonder productieve periode, en ik kan het mezelf vergeven dat ik, toen ik deze voor het eerst draaide, meteen dacht: ah, weer zo'n typische hardbop-sessie van Lee Morgan, prima bandopstelling weer, maar niet meer heel verrassend.
Misschien dacht Blue Note dat ook. Van zijn vier sessies uit dat jaar bleef deze het langst op de plank liggen, tot 1981. Toen werd hij uitgebracht in de LT-series ('Blue Note Classic'), met zo'n witte hoes met een artistiekerige foto (in dit geval een reuzenrad, of zoiets?) en bovenaan een grijze balk met links een regenboogje (noot: dat is ook de originele hoes, niet die met een foto van Morgan die momenteel op Musicmeter staat, mocht iemand behoefte hebben om dit op te schonen).
Het is een plaat die me wat tijd kostte om op waarde te schatten, juist omdat ik veel Blue Notes uit de jaren zestig heb beluisterd in de laatste paar jaar, en het soms lastig wordt om het kaf van het koren te scheiden. Deze groeide echter binnen een paar luisterbeurten toch uit van 'weer een best lekkere hardbopplaat' naar 'de composities zitten toch wel verdomd lekker in elkaar, en het is wel echt een topband.'
Meest in het oor springend is de voorhoede, waarbij het krachtige spel van Morgan en de wat meer bijtende toon van McLean de dynamiek tussen Clifford Brown en Sonny Rollins in herinnering roept. De ritmesectie viel me in eerste instantie minder op dan op vorige platen, maar dat komt vooral omdat Higgins en Workman in een flow zitten die zo natuurlijk aanvoelt dat het bijna intimiderend is om geconcentreerd te luisteren naar hun spel.
Een andere reden om deze plaat in eerste instantie te onderschatten is dat de start eigenlijk het minst sterk is: het titelnummer is heel lekker, maar had wel ietsje korter gemogen van mij, en de echte hoogtepunten komen pas daarna: 'Miss Nettie B.', 'Growing Pains' en de weergaloze afsluiter 'Zip Code' zouden eigenlijk klassiekers in Morgans oeuvre moeten zijn.
Dus ja, wéér een hardbop-plaat van Blue Note, maar ook weer een bewijs dat Lee Morgan in deze periode niets verkeerds kon doen. En, op het briljante The Gigolo na, op de valreep nog even zijn beste studiowerk van 1965.