Sinds ik hem leerde kennen ten tijde van zijn tweede plaat 2 draag ik Mac een zeer warm hart toe. Zijn laatste paar platen hielden wel steeds minder mijn aandacht vast, ze wisten met name aangename vertrouwdheid te brengen maar prikkelden nauwelijks meer. Grappig genoeg had ik meer met zijn bijna-9-uur durende demo-lawine One Wayne G dan met zijn reguliere laatste albums, of althans, het bleek de perfecte concentratie-/schrijfmuziek voor mij, en dat is toch ook wel bijzonder wat waard.
In dit stadium verwachtte ik al met al geen al te grote verrassingen meer van Mac, maar Guitar blijkt dat zowaar wel degelijk te brengen. Ten eerste is er natuurlijk die stem, net zo zalig valsig als altijd, maar dan een octaafje of twee hoger (en soms opeens heel even griezelig laag). Sterk om de plaat er zo expliciet mee te laten beginnen, ik schrik er elke keer opnieuw een hoedje van. Mac schijnt met roken gestopt te zijn, gekke gedachte wel, sigaretten waren van begin af aan één van zijn belangrijkste hoofdonderwerpen (soms als metafoor, vaak ook letterlijk) en ook al consumeert hij ze dan zelf niet meer, blijkt hij er dan ook niet over uitgezongen te raken ('smoke the whole pack').
Die 'nieuwe' stem, die toch al snel zo vertrouwd gaat voelen, is niet het meest prikkelende van deze plaat. Zijn gitaarsound, zo kenmerkend als altijd, is dat ook niet. Het zijn de melodieën, waar Mac altijd meester is geweest, maar op latere werken soms net iets te gemakzuchtig op varieerde, die van Guitar zijn sterkste werk in lange tijd maakt. Werkelijk elk liedje, hoe beknopt en schijnbaar vluchtig ook, blijkt een oorwurm van het zuiverste soort. Op een vreemde manier heeft Mac hierin voor mij altijd al als een geestverwant van zijn bijna-naamgenoot Macca gevoeld, en dan met name de Macca van diens pure solowerken (denk vooral aan McCartney I, en in iets mindere mate II en III, de platen waarop Paul alle instrumenten zelf inspeelt zoals Mac ook altijd doet). Dat gekkige speelse, dat bevreemdende zoete, komt op Guitar sterker dan ooit naar voren.
Grote gekkigheden hoor je misschien niet, zodra je aan zijn nicotineloze stem gewend bent lijkt dit gewoon de zoveelste typische DeMarco-plaat. Maar voor mij voelt het toch als een hernieuwde kennismaking, waardoor dat wat in de loop der jaren zo vanzelfsprekend geworden was opeens weer zijn uniciteit openbaart. Uniek en verslavend, om te blijven draaien en vreemd maar fijn bij weg te dromen.