“Unison”, het blijft één van de moeilijkste jazz-albums in mijn persoonlijke luister-geschiedenis. De bas floreert hier in al zijn aspecten, en het gevarieerde timbre openbaarde zich aanvankelijk als een wonder. Daar ben ik inmiddels aan gewend, nu is er nog slechts de muziek. Het echte wonder.
Mijn interesse spreidt zich uit in vlagen. Aanvankelijk hield ik het voor gezien na de eerste nummers: voor de rest kwam er slechts meer van hetzelfde. In het huidige stadium geraak ik er echter niet meer “in”. Het ligt ongetwijfeld aan een afwijking in het ‘ik’, of is er “echt” sprake van een (quasi fysieke) barrière – speelt Jenny-Clark in een andere kamer die hem half aan het gehoor onttrekt? Echter, deze abstractie leidt ons nergens.
Logsiche vraag die hierop volgt: waar brengen de obscure (muzikale) contouren ons dan – ver weg, of juist diep in ons zelf? Het zijn ridicule vragen voor het individu dat niet tot de muziek kan doordringen, zelfs ietwat frustrerende frasen. En laat dat nu toevallig een ideale basis zijn om te blijven luisteren, ontdekken, verwonderen, ...
