“I played all the instrunents, did all the vocals, produced it, designed the cover, drove the van, made the tea and sandwiches,” he beams. “Now that’s a real solo album – I’m never short of ideas.” (RW)
Dit album werd voor het grootste deel al in 1969 opgenomen maar het duurde tot 1973 voordat de platenmaatschappij er wat in zag het uit te brengen. The Move was op dat moment al gestopt en Wood had enig succes met zijn glamrockbandje Wizzard.
Wood heeft het vermogen om als een spons allerlei muzikale invloeden in zich op te nemen en hier een creatieve draai aan te geven. Als een kameleon kan hij wisselen van stijl met een onvoorstelbare souplesse. Dat deed hij al met de beat in de jaren ’60 en op dit album gaat het nog veel meer alle kanten op. Met een ‘tongue-in-cheek’ benadering, nooit echt serieus, schildert hij een palet van muzikale werelden op één plaat. Klassiek, gospel, beatlesque pop, folk, boogie, ballad, onvervalste rock&roll, het komt allemaal voorbij. Hij stapt hier met het grootste gemak over de grenzen van de genres heen. En dan zijn stem: bijna niet te geloven dat het hier dezelfde zanger is die we horen, zoveel stemmetjes komen langs. Dat soort freaky one-man-band genialiteit ken ik eigenlijk alleen maar van albums als Something / Anything? van Todd Rundgren. Evenals Rundgren doet Wood hier alles zelf. Ik som de credits maar even op:
Arranger, Banjo, Bells, Brass, Cello, Composer, Concept, Cover Painting, Cowbell, Double Bass, Drums, Glockenspiel, Guitar (Acoustic), Guitar (Bass), Guitar (Electric), Harp, Harp Guitar, Instrumentation, Liner Notes, Piano, Primary Artist, Producer, Recorder, Saxophone, Sitar, Slide Guitar, String Bass, Tambourine, Trumpet, Violin, Vocals, Vocals (Background), Washboard, Whisper, Whistle (Human)
Veel nummers hebben iets tweeslachtigs. Ze zijn niet direkt pakkend als song, daarvoor zijn ze vaak net te ontoegankelijk, maar Wood leeft zich uit in de details. Je hoort er steeds weer iets anders in. En dan de hilarische teksten. Vrolijkste nummer is zeker When Gran'ma Plays The Banjo, merkwaardigste is Miss Clarke And The Computer. Opener Songs Of Praise is het best meezingbaar en is even aanstekelijk als grappig, zeker als je bedenkt dat Wood hier de stemmetjes van het kinderkoortje zelf doet. Wake Up en Nancy Sing Me A Song staan meer in de traditie van The Move en zijn fraaie melodieuze songs, de afsluitende rock&roll medley (geen bestaande nummers, maar geschreven als medley) is meesterlijk.
Wood kan veel, maar hij slaagt er tegelijk ook in onopvallend te blijven. De nummers blinken niet uit, worden nergens briljant. Het is eigenlijk het gevoel van een verzameling B-kantjes. Ze hebben het nét niet. Maar ik krijg niet het idee dat het uit onmacht is, maar bewust gekozen om zich uit te kunnen leven in de afwerking, met onverwachte instrumentale wendingen, gekke koortjes en studio-effecten. Het heeft iets pesterigs en is in ieder geval zeer eigengereid.
Een plaat met een cultstatus, wordt hierboven al gezegd. Verkoopcijfers niet bekend, ook niet echt belangrijk. Ik ga voor het volle pond, gewoon omdat het een uniek album is van één van de meest kleurrijke vogels uit de pophistorie.