Het nieuws van de dood van Philip Lynott op 4 januari 1986 haalde twee dagen later zelfs de krant van mijn ouders. Ik was ontdaan over zijn plotselinge vertrek en knipte het bericht uit om het bij mijn exemplaar van Thin Lizzy’s laatste album Thunder and Lightning te stoppen.
Des te groter was het verdriet van Gary Moore. Van hem weet ik inmiddels dat deze met grote zorgen Lynotts aftakeling had zien verergeren. Toen Over the Hills and Far Away verscheen (#22 in de Nationale Hitparade in februari 1987, in maart #25 bij Veronica’s Top 40, was meteen duidelijk dat dit Moores ode aan Lynott was en daarmee ook aan Ierland. ‘For Philip’ staat linksonder op de achterzijde van de hoes van Wild Frontier, dat in april #13 haalde in Nederland.
Net als bij de vorige albums van Gary Moore haalde ik enkele opvallende zaken uit de sterke biografie van Harry Shapiro.
De reden dat er digidrums klinken is omdat de gitarist altijd problemen had in de studio met drummers die fouten maakten, waarna ze vervolgens elke improvisatie vermeden. Synthdrummer Roland Kerridge van newwavegroep Re-Flex wijdde hem in in de wereld van de Linn 9000 en leerde hem te samplen. Toen de opnamedata voor Wild Frontier bekend werden, kreeg de teleurgestelde drummer Gary Ferguson te horen dat hij niet nodig was.
Voorganger Run for Cover had eigenlijk helemaal door Peter Collins moeten zijn geproduceerd, maar deze was weggekaapt door Rush. Deze keer wist Moore hem vaker te strikken, want diens kritische en vernieuwende aanpak bevielen hem goed. Zo vond Collins het originele refrein van het nummer Wild Frontier niet goed genoeg, waarop Moore weken werkte aan een nieuw. Gezamenlijk werkten ze hard aan Moores vocalen; voor het eerst had Moore niet de behoefte een externe zanger te gebruiken.
Ook qua gitaren werd er vernieuwd: alhoewel er nog steeds Les Pauls en Strats werden gebruikt, sleutelde gitaartechnicus Keith Page menigmaal op de studiovloer aan een nieuwe, die soms nog diezelfde middag door Moore werd bespeeld. De Charvelgitaren die hij in ’79 bij G-Force gebruikte, keerden zo terug.
Moore loofde toetsenist Neil Carter: “Op Run for Cover is hij weinig te horen, maar hij kwam met fantastische ideeën. Hij is veel belangrijker dan je zou vermoeden.” In de aanloop naar Wild Frontier las Carter diverse boeken over de Ierse historie, wat hem tot de nodige muziek inspireerde.
Verder gaat het akoestische Johnny Boy over Lynott, waarbij Moore wordt geassisteerd door toetsenist Don Airey en de doedelzak van Paddy Moloney van The Chieftains. Over Friday on my Mind, oorspronkelijk van The Easybeats, was hij eveneens tevreden, mede door het gebruik van een sitar. Strangers in the Darkness is Moores waarschuwing tegen drugs, de reden laat zich raden.
Het instrumentale The Loner, geschreven door toetsenist Max Middleton over diens gitarist Jeff Beck en te horen op Over the Top van Cozy Powell, werd door Moore met opzet in de sfeer van Parisienne Walkways herschreven. Zijn eerste instrumentale nummer in jaren, liet Moore de overige gitaarsolo’s korter, op de 12”-versies na.
Toen moest er getourd worden. Bassist Bob Daisley speelde in diezelfde maanden bovendien op Eternal Idol van Black Sabbath en raadde Moore hun drummer Eric Singer aan. Omdat deze zijn eigen drumkit niet kon gebruiken (het management van de Sabs had de rekening niet betaald) leende Singer die van Powell, zodat hij gedurende de tournee op de drumkoffers ‘Cozy Powell – Whitesnake’ had staan.
De tournee begon in maart '87 en deze keer zou Moore om belastingtechnische redenen een jaar buiten het Verenigd Koninkrijk blijven. Tot zijn weerzin, want in Amerika kon hij slechts clubs (400 – 600 man) vullen en was de organisatie vaak minder goed. De overige tijd moest hij op het strand liggen, waar hij veel liever thuis aan nieuwe muziek had gewerkt, in afwachting van de geboorte van zoon Jack. Echtgenote Kerry beviel zonder hem in Engeland, maar voegde zich vervolgens bij Moore in Spanje, waar de kersverse ouders in het huis van Ian Paice verbleven.
En zonder al die feitjes? Voor mij is het duidelijk: Moores beste album ooit met een rijkdom aan ideeën en inspiratie, geholpen door de Keltische invloeden. Met het drumgeluid en andere jaren '80-geluiden heb ik geen problemen: ieder decennium heeft zijn eigen geluid en hier klinkt het goed, gelukkig zonder de holle badkamerdrums die in die periode populair waren. De knipoog naar adult oriented rock in Take a Little Time smaakt me bijvoorbeeld nog altijd prima. Een knallend, energiek album: heerlijk!