Op de middelbare school in Augusta, Georgia, opgericht door bassist Andy West en gitarist Steve Morse als Dixie Grits, maakte het duo op de universiteit van Miami, Florida met nieuwe musici een doorstart als Dixie Dregs. De groep keert terug naar Augusta, waarna in 1977 bij het label Capricorn werd gedebuteerd met
Free Fall.
Een steevast instrumentale ontmoeting tussen rock, jazz en country met ruimte voor vele solo's van hoog technisch niveau op gitaar, viool en toetsen, zonder het gevoel voor melodie te veronachtzamen. Vooral muziek voor fijnproevers, waarbij met name Morse opviel in de muziekbladen zijnde één der beste en veelzijdige gitaristen ter wereld.
In deze opzet werd - met soms een enkele bezettingswijziging - de overstap gemaakt naar het grotere label Arista, waarbij de groepsnaam werd ingekort tot The Dregs. Als in 1982 dit
Industry Standard verschijnt, hun zesde album, zijn uit de tijd in Florida West, Morse en drummer Rod Morgenstein nog altijd aan boord. In 1980 werd T. Lavitz de nieuwe toetsenist en in 1982 blijkt violist Allan "Sloanov" Sloan voor een carrière als anesthesioloog te hebben gekozen; hij is vervangen door Mark O'Connor.
Op opener
Assembly Line klinkt het vertrouwde fusionrecept met solo's voor Morse, O'Connor en Lavitz, waarbij Morgenstein zijn begeleiding meer dan vernuftig invult.
Op
Crank It Up dient zich een verrassing aan: gastvocalist Alexander Ligertwood, geleend van Santana. Hij heeft een aangenaam rauw randje, vooruitwijzingen naar Morses latere werk bij Kansas en Deep Purple. Het dameskoortje maakt het nog beter.
Instrumentaal werk volgt.
Chips Ahoy (de groep heeft iets met woordgrapjes) bevat midtempo progrock in 6/8 maat, maar
Bloodsucking Leeches is minder spannend, drijvend op een robuuste rockriff met uiteraard weer de nodige solo's voor de melodie-instrumenten. Op het akoestische
Up in the Air horen we Morse met Steve Howe van Yes. Een meer dan fraai kleinood.
Kant 2 opent met
Ridin' High, met de volgende gastzanger: Patrick Simmons van The Doobie Brothers. Een nummer in jazzrockstijl dat me niet pakt.
De rest van het album is weer instrumentaal. Meer humor in de titel van
Where's Dixie? waar uptempo countryrock ruimte biedt voor solo's op viool, gitaar en piano. Liever hoor ik het enigszins plechtige
Conversation Piece omdat de melodieën sterk zijn, waarna met de lome shuffle van
Vitamin Q in progrocksfeer wordt geëindigd.
Enerzijds een sterk album op hoog speltechnisch niveau, anderzijds wordt duidelijk dat het recept ten opzichte van de vijf voorgangers verrassingen ontbeerde, ondanks de twee vocale nummers.
Nog in datzelfde 1982 stoppen de Dregs. West vertrekt naar Californië om in de opkomende ICT-sector te gaan werken; Lavitz brengt vanaf 1984 solowerk uit, te beginnen met jazzalbum
Extended Play. O'Connor vervolgt zijn carrière in country als zowel sessie- als soloartiest, zoals album
False Dawn (1983).
Steve Morse begint zijn eigen Band en neemt Morgenstein mee. In 1984 verschijnt van hen
The Introduction en dat is waar mijn odyssee door het werk van Steve Morse vervolgt.