Met zijn derde reguliere album weet
Micah P. Hinson opnieuw te overtuigen, maar ditmaal heeft deze Texaan wel iets héél fraais en bijzonders afgeleverd. Zelden komen er singer/songwriter albums voorbij van zulke klasse en waarop alle elementen – stem, teksten, arrangementen, etc – elkaar zó mooi aanvullen. Wellicht dat zijn recente huwelijk met Ashley (wie hij eind vorig jaar tijdens een optreden in Londen ten huwelijk vroeg) voor een nieuw element in zijn werk heeft gezorgd. Met dit album – dat gedeeltelijk als een open brief aan zijn geliefde beschouwd kan worden – kruipt hij namelijk uit de schaduw van zijn eigenaardige en vaak moeilijke verleden van verslaving, gevangenissen, psychiatrische opnames, dakloosheid, tussendoor nog een relatie met een Vogue cover model, faillissement en lichamelijke klachten. Dat hij met zijn 27 jaar al veel heeft meegemaakt mag duidelijk zijn, maar het échte verhaal achter zijn persoon en zijn muziek geeft hij fraai bloot met deze alleszeggende woorden waarmee hij het album afsluit:
I’m not afraid of the suffering or the pain
I’m just afraid of dyin’ alone
Zijn albumhoezen – allen door hemzelf gefotografeerd – vertonen steevast een grote overeenkomst met zijn muziek. Een grenzeloos verlangen naar romantiek, maar altijd vanuit de schaduwzijde geportretteerd. Een melancholicus in hart en nieren. Op de binnenhoes zien we fraaie zwart/wit foto’s van een aantrekkelijke jonge dame in lingerie die twijfelend bij de telefoon zit, maar dan zo gefotografeerd alsof Micah P. Hinson al turend door het sleutelgat over het onbereikbare aan de andere kant van die deur zit te fantaseren. Die ogenschijnlijke onbereikbaarheid van zijn verlangen duikt overal op in zijn werk.
When we embraced
We couldn’t see
The future dangling in front of us
The past now too far to see
But we didn’t look
And we didn’t care
There was something left between us then
But now I feel it’s just not quite there
Met zijn fraaie, doorleefde bariton stem die ergens stand houdt tussen die van de heren van Smog, Lambchop en Handsome Family weet Micah P. Hinson ondanks de doorgaans rijke arrangementen de aandacht volledig op zich te vestigen. De meeste instrumenten neemt hij voor eigen rekening, verschillende gitaren, piano’s, percussie, etc. Maar kenmerkend voor zijn geluid zijn tevens de prachtige arrangementen voor strijkers waarmee hij tezamen de donkere randjes van de romantiek verkent. Uiteenlopende stijlen zet hij moeiteloos naar zijn hand. Country, rock, folk en zelfs een soulvol orgeltje weet hij allen samen te smeden tot een volstrekt eigen muzikale taal. Dat hij dit al op zijn 27e heeft kunnen bereiken – en reeds met drie ijzersterke albums op zijn naam – mag gerust een wonder genoemd worden.
Naast het fenomenale
When We Embraced met mooie hoofdrol voor banjo mogen nummers als
I Keep Having These Dreams en
Dyin' Alone als absolute hoogtepunten gerekend worden. Maar eigenlijk overal weet het album te overtuigen. Van het prachtige bijna-acapella
The Fire Came up to My Knees waarmee kant b begint, tot het overrompelende en romantische (“Oh love of my life”)
Sunrise Over The Olympus Mons met prachtige strijkers, achtergrondzang en lichte country-twang, tot het wederom veelzeggende (“Constantly craving what isn’t mine”)
Tell Me It Ain’t So.
Een prachtalbum zoals Smog ze niet meer weet te maken en zelfs het recente werk van Bonnie Prince Billy kan hier nog een puntje aan zuigen. In tegenstelling tot Will Oldham - die met
Lie Down in the Light een prima album heeft afgeleverd maar geen volledige plaatlengte weet te boeien - weet Micah P. Hinson wél raad met rijk georkestreerde composities en een fraai geproduceerd geluid. Vorig jaar deed zich een vergelijkbaar scenario voor met het uitmuntende
Above the Trees van Paul Duncan. Een artiest die net als Hinson al eerder had bewezen een begenadigd singer/songwriter te zijn, maar toch iedereen wist te verrassen met een bescheiden meesterwerkje waarop alles precies leek te kloppen. Het is niet de enige overeenkomst tussen beiden. Want helaas zal Micah P. Hinson waarschijnlijk net als Paul Duncan slechts in een handvol individuele jaarlijstjes eindigen, maar waaronder zeker die van mij. Albums van deze klasse, die zowel op het eerste gehoor goed liggen als bij elke aanvullende luisterbeurt een enorme diepgang blootgeven, komen maar zelden voorbij.