Deze band bestaat uit vier van de vijf leden die in 1969 en 1971 onder de naam Renaissance twee albums (Renaissance en Illusion) maakten. Vijf jaar later bestond die groep nog steeds, zij het met allemaal andere muzikanten aangezien alle oorspronkelijke leden inmiddels waren vertrokken, dus toen de laatsten de draad weer wilden oppakken moesten ze een andere groepsnaam kiezen. En daarvoor werd de naam van het tweede Renaissance-album gebruikt, zodat voor de goede verstaander de link onmiskenbaar bleef.
Zowel deze debuutplaat als de opvolger daarvan werd dus gemaakt met de vier oorspronkelijke leden, Jim McCarty (ex-Yardbirds; zang, akoestische gitaar en het merendeel van de composities), John Hawken (toetsen en aantal composities), Jane Relf (zang) en Louis Cennamo (bas), aangevuld met gitarist John Knightsbridge en drummer Eddie McNeil. Oorspronkelijk zou de band zelfs een zevende lid herbergen, maar Jim Relf (eveneens ex-Yardbirds en samen met McCarty initiatiefnemer van Illusion) werd in mei 1976 in zijn appartement geëlektrocuteerd tot zijn elektrische gitaar niet goed geaard bleek.
Deze plaat grijpt in zoverre terug op de eerste twee Renaissance-albums dat ook hier sprake is van romantische popmuziek met symfonische invloeden en een lichte folky feel, maar de songs zijn korter en strakker, en er is meer aandacht voor de compositorische structuur dan voor lange instrumentale passages en solo's. De grootste kracht van Illusion is voor mij naast de fijnzinnige composities van McCarty en Hawken gelegen in het stemgeluid van Jane Relf: ijl en tegelijk aards, breekbaar en tegelijk zelfverzekerd, en thuis in zowel de hoge als de lage registers. Het voornaamste nadeel is de iele en soms zelfs bibberige stem van Jim McCarty; als voornaamste componist mag hij natuurlijk het recht opeisen om een aantal (delen van) nummers te zingen, maar gelukkig blijft zijn aandeel relatief beperkt, en bovendien zijn zijn harmonieën met Relf wèl bijzonder fraai.
De vijf nummers waarop Jane Relf de (voornaamste) leadzang heeft zijn uniform prachtig, met het heldere pianospel van John Hawken als belangrijkste melodie-instrument, subliem ondersteund door lichte drums, soepel baswerk en smaakvol gitaarspel. Opener Isadora eist onvermijdelijk de meeste aandacht op, niet alleen vanwege de prominente plaats op de plaat maar ook vanwege de manier waarop de verschillende delen vloeiend in elkaar overlopen, maar ook de wat meer up-tempo nummers Roads to freedom en Everywhere you go springen eruit.
Eigenlijk bevat de plaat slechts twee mindere nummers. Solo flight is een enigszins nerveus nummer dat draait rond een tamelijk saai hamerpiano-patroon en een wah-wah-gitaar, die geen van beiden McCarty's dunne vocalen kunnen compenseren; en Candles are burning is een door de piano gedreven rocker waarop de zang van Relf in de eerste helft tegenwicht biedt tegen McCarty's onzekere zang, maar dat in de tweede helft met strijkers en al uit de bocht vliegt.
Daar staat tegenover dat de twee hoogtepunten van deze plaat bijna onaards mooi zijn. Face of yesterday is een bewerking van een nummer van het tweede Renaissance-album, waarbij de bluesy elektrische gitaar vervangen is door een subtiele akoestische gitaar, en waarin een string-synthesizer een prachtige ijle sfeer creëert; en Beautiful country, voor mij het mooiste nummer dat deze groep ooit opnam, is een door Jane Relf hemeltergend mooi gezongen loflied op Engeland dat leunt op een zeldzaam delicate melodie, gebracht door een elektrische piano en vervolmaakt door een mellotronsolo. De foto van Relf op de hoes van dit album sluit voor mijn gevoel naadloos aan bij de sfeer van dit nummer.
Het jaar daarop maakte deze groep nog een tweede (titelloze) album, maar de punkrevolutie was toen reeds in volle gang, en zowel band als elpee stierf een roemloze dood. In 2003 werden beide albums door Acadia/Evangeline op een 2-for-1 uitgebracht, met uitstekend geluid en een redelijk informatief boekje. Een aanrader voor liefhebbers van serieuze romantische popmuziek.