Een wat eigenaardige hoes voor de tweede soloplaat van Martin Barre, bekend als gitarist van Jethro Tull. Althans, niet eentje die ik associeer met zijn stijl, die ook hier enerzijds toegankelijk poogt te zijn met anderzijds ingewikkelder instrumentale muziek, enigszins in de stijl van Steve Morses solowerk. Misschien dat de heruitgave van 2019 daarom een
compleet andere grafische stijl kreeg. Barre schreef alle muziek en teksten.
De kleine lettertjes op de hoes noemen de nodige deelnemende musici, zie daarvoor het vorige bericht. Meest opvallende naam voor mij is die van drummer Darren Mooney, omdat ik hem ken van zijn werk bij Primal Scream en
Scars, de groep met daarin Gary Moore. Daar werd zijn voornaam overigens als Darrin gespeld. Behalve hij zitten er maar liefst drie (ex-)drummers van Tull op de kruk.
Elf nummers op cd, de vinyl uitgave van 2019 telt er drie (!) minder. Titelnummer
The Meeting trapt stevig en uptempo af, zelden (nooit?) speelde Jethro Tull op dit tempo; de volle stem van Maggie Reeday domineert in dit nummer met diverse tempowisselingen. Bluesrock 2.0 klinkt in
The Potion, eveneens voer voor Reeday.
In
Outer Circle staat Barre zichzelf voor het eerst toe zijn kunnen en smaak volop te etaleren, om in
I Know Your Face tevens de dwarsfluit te hanteren. Uiteraard ontstaat zo de associatie met Jethro Tull, maar omdat Reeday hier lichter zingt, gaat het een andere kant op.
De cd vervolgt met het sfeervolle instrumentale
Misere, waar elektrische en akoestische delen elkaar afwisselen. Stevig en langzaam is
Time After Time waar Reeday weer acte de présence geeft. Mijn favoriete nummer is
Spanner, dat gedurende bijna zeven minuten diverse stijlen langsgaat, van rustige jazzrock (sax van Mel Collins) tot stevige rock.
Dan volgen de drie nummers die op elpee ontbreken.
Running Free is uptempo poprock met Reeday en doet mij denken aan het werk van Kansas' Kerry Livgren in de jaren '80 met de groep AD; het instrumentale
Tom's gaat de kant van Steve Morse op en in
Dreamer de invloed van Spaanse flamenco. Hier is het Joy Russell die zingt, het gitaarspel is weer prachtig.
Bij het sfeervolle instrumentale slotlied
The Audition moet ik in het eerste deel denken aan
Contact Lost van Deep Purple, in feite een Steve-Morse-solonummer, te vinden op hun album
Bananas. In het tweede deel klinken de kinderstemmen van Elaine en Jennifer. Fraai.
De drumpartijen klinken steviger dan bij Jethro Tull het geval is, waardoor ik het idee krijg in de studio te staan. Net wat rauwer dan bij het moederschip het geval is. Vele fans roemen het werk van Martin Barre en missen hem bij het huidige Tull. Wel, zijn soloalbums zijn dus zéér aan te bevelen.