In 2002 stond ik met de cd in mijn handen in een Free Record Shop, twijfelend of ik 'm zou kopen. Had goede recensies gelezen maar zette hem toch weer terug. 21 jaar later eens horen of dat wijs was.
Terwijl hij bezig is met de opnames en tour van
Back to the Blues, komt Gary Moore rond zijn vijftigste verjaardag in een fase waarin hij terugkeert naar de muziek van Jimi Hendrix, wiens muziek hij vaak afspeelt. Dit ontgaat drummer Darrin Mooney niet en als Moore hardop over een rockalbum gaat praten, is het Mooney die de voormalig bassist van Skunk Anansie voorstelt, Richard 'Cass' Lewis.
Als Moore arriveert voor een eerste repetitie, hebben Lewis en Mooney zich al warmgespeeld: in deze bandsfeer voelt de gitarist zich onmiddelijk thuis. Dat Lewis een grote fan van Thin Lizzy is, verhoogt de feestvreugde. Enthousiaste repetities volgen, waarbij het materiaal van Moore door de twee jonge honden van extra energie wordt voorzien.
Dan moet er een groepsnaam komen voor het te maken album. Er wordt gehusseld met de voornamen van de groepsleden, waardoor de naam Scars ontstaat. Nogal ironisch volgens Mooney, want als er iets was wat je níet tegen Moore moest zeggen was het 'scarface', aldus de biografie Gary Moore van Harry Shapiro.
Vervolgens wordt met producer Chris Tsangarides hard gewerkt aan het enige album dat de groep zou maken. Ook hard wat betreft volume: George Michael neemt een verdieping lager op en komt klagen dat de gitaargeluiden doordringen tot zijn microfoon; de zanger schort zijn opnamen op tot Scars is vertrokken.
Hendrix verkende niet alleen de mogelijkheden van gitaar, hij was ook degene die blues transformeerde in rock. Zo'n grote "uitvinding" doen is 35 jaar later niet meer herhaalbaar, maar de drie probeerden wel degelijk nieuwe dingen uit. Moore speelt vooral uitbundige rock, integreert eigentijdse digitale geluiden (
Wasn't Born in Chicago) en vaker komt blues voorbij.
Dat laatste is de reden dat Lewis minder enthousiast was over het eindresultaat: hij vond het te conservatief. De groep tourt als special guests in het voorprogramma van ZZ Top (waarvan deze
onofficiële 2cd verschijnt) en vreemd genoeg volgt een tournee in de hardrockwereld, juist datgene waarvan Moore zich sinds 1990 distantieert. Dit onder de vlag van de Monsters of Rock Tour met Whitesnake en Y&T, groepen waarmee de gitarist niet meer mee geassocieerd wilde worden.
Hij zet zich zelfs rond de tournee in interviews af tegen dit soort hardrock, maar speelt wel werk uit zijn jaren '80, te weten
Wishing Well en
Shapes of Things. De logische vraag is waarom hij dan toehapte. Drie redenen: na de subtiliteit van de blues had hij simpelweg zin om luid te rocken, hij moest Scars promoten (de verkopen vielen tegen) en het tourgage was hoog.
Had ik in 2002
Scars gekocht, dan was ik vermoedelijk teleurgesteld geweest, mede omdat ik in die periode met andere genres bezig was én omdat ik niet zo'n fan van Hendrixachtige rock ben. De echo van die legende klinkt vooral op
When the Sun Comes Down,
World of Confusion en
World Keep Turnin' Round en alhoewel goed in elkaar gezet, is het simpelweg niet mijn ding.
Stand Up klinkt als Hendrix in combinatie met electronica en riffs anno 2002, wat ik nog wel aardig vind, maar eigenlijk word ik alleen echt vrolijk van
Wasn't Born in Chicago, juist omdat dit het meest vernieuwend is. Ook lekker is de shuffle in bluesrocker
My Baby. Ingetogen blues is te horen in
Just Can't Let You Go en in het afsluitende
Who Knows, met daarin één korte geluidseruptie.
Moore had aanvankelijk een tweede album met Scars willen maken, maar het vuur doofde; met name bij Lewis. De groep nam veel meer nummers op dan op het album belandden; de licht teleurgestelde bassist kreeg kort na ontbinding van de groep de rechten hiervoor van Moore. Deze en Mooney richtten zich vervolgens op een nieuwe bluesplaat, wat
Power of the Blues zou worden.