Freejazz zoals de traditie het voorschrijft, met min of meer afgesproken routes en thema’s. De saxofonist kiest meestal voor een bepaalde richting in zijn improvisaties waardoor ze niet gefragmenteerd of chaotisch overkomen zoals dat bijvoorbeeld bij Charles Gayle het geval is. Die laatste gaat ook altijd voluit op de gaspedaal staan, maar dit is toch helemaal anders. Door zijn lange, duidelijke - soms ook lyrische - lijnen is de muziek van David S. Ware nog vrij goed te volgen en voelt het niet aan als “razen” door de registers.
Mede door de smaakmakende toevoegingen en ‘hints’ van Matthew Shipp worden er melodische toetsen geïnjecteerd in het pallet. Daardoor wordt het geluid volkomen volumineus: zowel verticaal als horizontaal. Zijn akkoordenclusters hebben daar zeker ook een aandeel in. Het is opmerkelijk hoe de twee op elkaar zijn ingespeeld en elkaar stimuleren in hun improvisaties. De manier van blazen van de bandleider is ook zeer gevarieerd. Meestal de karakteristieke ronde tenorklank, maar soms ook schriel en tierend naar het einde van het album toe. Toch steeds heel eigen, met een gekarteld randje.
De ritmesectie is degelijk, maar trekt nergens echt de aandacht naar zich toe vind ik. Wat op zich niet echt een probleem is, aangezien ze tussen twee redelijk ‘innemende’ muzikanten staan. Susie Ibarra ken ik via Zorn. Levert inderdaad goed werk hier. Ze zijn beide niet echt dominant of eigenwijs, vooral volgzaam, maar zeker niet passief. Ze voorzien ruimte en leggen accenten waar nodig. En ja… William Parker maakt de line-up alleen maar legendarischer.
Monumentale plaat, waarmee dit kwartet de luisteraar trakteert op hun ‘finest hour’.