Lekker chaotische jazzplaat met een blues- en gospelziel. Mingus verlaat tijdelijk zijn plek achter de staande bas, en neemt plaats achter de piano. Hij was een bedreven pianist, hoewel hij in de loop der jaren wel met betere toetsenmannen heeft gewerkt dan zichzelf. Voordeel is dan weer dat hij zichzelf niet knockout kan stompen en kan ontslaan, al heeft hij dat laatste volgens biografen ook wel eens geprobeerd.
Hoe het ook zij, de held van de plaat is toch wel blinde saxofonist Roland Kirk (later Rashaan Roland Kirk), die een leuke gimmick had, want hij kon wel drie saxofoons tegelijkertijd bespelen! Ik ken zijn werk verder niet echt, maar het is duidelijk dat hij nog meer in zijn mars had: zijn scheurende solo's passen bij Mingus wilde blues- en gospelthema's als de strepen op een tijger (luister ook hoe hij Mingus hele jaren zeventigband van het podium blaast op Mingus At Carnegie Hall).
Opener Hog Callin' Blues wordt gedreven door het soort uitgelaten passie die doet denken aan de sprongen en tongspraak van een buitengewoon begeesterde sekte. Kirk blaast de longen uit zijn lijf tot de noten zo vervormd zijn dat er letterlijk een troep varkens de studio binnen lijkt te zijn gelopen. Een ander hoogtepunt is het religieus aandoende Ecclusiastics, een prachtig opgebouwd stuk waarbij de hemel letterlijk lijkt open te scheuren als de band de climax bereikt.
Dat niveau wordt op zich niet overal bereikt: Atomic Bomb is sfeervol maar had prima een paar minuten korter kunnen duren (zelfs de titel is te lang), en Eat That Chicken is hoogstens een geinig staaltje meligheid. Dan is afsluiter Passions Of A Man een stuk interessanter: een conceptueel stuk volgens de Jazz Workshop waarin Mingus allerlei tribale geluiden en stemmetjes door elkaar husselt. Het resultaat is in ieder geval fascinerend en redelijk hilarisch.
Behalve pianospelen laat Mingus zijn stem ook vaker dan normaal horen, buiten het normale aanmoedigende geschreeuw zingt hij ook nog op een aantal nummers. Verwacht hier geen diepgaande songteksten a la Leonard Cohen, hoewel het een klein beetje overdreven is om te zeggen dat de titel van deze plaat zo'n beetje de teksten samenvat. Niet heel erg overdreven, maar toch: een nummer als Devil Woman bevat zelfs een heuse zanglijn.
Overigens niet naar ieders tevredenheid: in de tijd dat de plaat uitkwam merkte een recenscent op dat Mingus als blueszanger ondermaats presteerde. Mingus stuurde een kregelig briefje naar de criticus in kwestie, waarin hij verklaarde niet de concurrentie te willen aangaan met de grote blueszangers, maar: 'Mijn eigen blues kan alleen door mezelf worden gezongen, net zoals alleen jij God om hulp kan smeken als ik je voor je bek kom stompen.'
Ja, die Charles Mingus was me er eentje. Tegen zijn muziek heb ik in ieder geval geen enkele weerstand, hoewel gezien wat zwakkere momenten mijn vijf sterren wat geflatteerd zullen overkomen. Maar over een plaat die zo de pan uit swingt en uitbundig het leven viert ga ik niet lopen zeuren. Oh Yeah rocks!