"If our love could not withstand this jealousy, we'd remember the day we threw away our eternity"
Tweede album (na A Cappella,1985) van Todd Rundgren op het Warner label. Rundgren's fascinatie voor het live inspelen van een album wordt hier beproefd. Rundgren was inmiddels een nieuwe fase ingegaan. Zijn band Utopia had hij opgeheven en muzikaal liet hij zich hier verleiden tot een flinke scheut 'blue eyed soul'. Productioneel is dit album het omgekeerde van Hermit of Mink Hollow (1978) waarop hij ieder instrument spoor na spoor inspeelt en de zang laag voor laag overdubt. Een waar soloproject waarvoor hij de deur niet uit hoefde.
Totaal anders is de benadering hier. De tracks zijn live ingezongen en gespeeld zonder overdubs. En dat betekent ook hier volledige concentratie, maar zonder herkansing. In plaats van alles zelf te doen heeft Rundgren hier de beschikking over een duizelingwekkende rij artiesten in de studio. Om er maar een paar van de ruim 75 (!) medewerkenden te noemen: Brent Bourgeois, Clarence Clemons, Roger Powell, Prairie Prince, Kasim Sulton, Larry Tagg, Narada Michael Walden, Vince Welnick, John Wilcox en Bobby Womack.
In het koor zong een zekere Michele Gray, die later Rundgren's vrouw zou worden.
Maar bij al dit imposante moet allereerst gezegd worden dat het geluidstechnisch een matige beleving is. Wat zo vol en warm had kunnen klinken werd door een fout in de mix&mastering voor een belangrijk deel om zeep geholpen. En dat is een drama zoals we wel vaker hebben meegemaakt op Rundgren's albums.
Tekstueel staan er prachtige dingen op dit album. The Waiting Game, Parallel Lines en Fidelity zijn buitengewoon diep rakend van inhoud. Bijtend scherp is Unloved Children, heel aardig de Costello-cover Two Little Hitlers. Opener The Want of a Nail met Bobby Womack is best goed als binnenkomer maar afsluiter I Love My Life heeft van alles teveel, ontspoort en zorgt ervoor dat je het album liefst voor het einde al afzet.
Er zijn dus best wel gemengde gevoelens waar te nemen bij dit album. In zekere zin een comeback van de multi-getalenteerde artiest. Veel emotie en diepte maar ook veel geschreeuw en druktemakerij. En dan die belabberde geluidsregistratie terwijl zowat half Hollywood in je dure studio staat te zingen.
Zucht. Waarom toch? De opvolger Second Wind (1991) werd volgens hetzelfde live-concept opgenomen maar met meer discipline. Integraal interessante albums heeft de man, in mijn ogen, vervolgens niet meer gemaakt. De tragiek van te veel talent en te weinig richting.