In 1981 ontdekte ik Kansas als albumband. Dit via Point of Know Return met daarop Dust in the Wind. Hierop ging ik op zoek naar andere elpees van de groep. Wat betreft hun platen vóór deze viel dat niet mee. Kennelijk stelde de band voordien weinig voor in dit polderlandje, want noch de fonotheek in mijn dorp, noch vrienden (of hun oudere broers en zussen) waren in het bezit daarvan.
Eén plaat uitgezonderd, al moest ik geduld hebben: rond 1985 kwam ik hun derde werpsel tegen. Masque stond in de platenkast van een nieuwe muziekvriend. Ja, ik mocht ‘m lenen. Het waren de jaren dat ik rondfietste met een linnen tasje, dat je om de schouder kon draperen. Bij regen gingen er twee plastic tassen omheen om te voorkomen dat de boel nat werd. Heel wat kilometers heb ik zo afgelegd, zoals met deze plaat: van zijn dorp verderop naar het mijne, slingerend langs een riviertje.
Op één van mijn cassettebandjes belandden slechts drie liedjes: It Takes a Woman’s Love (lekker snel, de blazers nam ik voor lief), Icarus-Borne on Wings of Steel en Child of Innocense. Ik vermoed dat het bandje bijna vol was en ik krap bij kas zat, want eigenlijk had ik meer willen opnemen.
Deze derde elpee van Kansas' was al hun tweede die in 1975 verscheen. Voorganger Song for America kwam in februari dat jaar uit en haalde in de Verenigde Staten #57, deze in september en haalde daar “slechts” #70. Gezien de storm aan releases die indertijd altijd ná de zomer verscheen, is dat nog altijd prima.
Hierboven noemden enkelen de tweedeling op Masque in gecompliceerde en toegankelijker (prog)rock. In zijn biografie vertelt Kerry Livgren dat vanuit de platenmaatschappij de druk toenam om een hitsingle te produceren. Dat probeerden de mannen enigszins geforceerd, een hit leverde het nog niet op. Het verklaart wellicht waarom er blazers klinken in de opener.
Mijn leven ging verder. Twintig jaar na mijn eerste kennismaking met Masque kwam YouTube en daar kwam ik vanzelf dit album weer tegen. Mijn oren vonden 'm nog beter dan indertijd.
In 2017 kocht ik in Freiburg een cd-box met daarop de eerste vijf albums van de groep. Niet vreemd dat een dikke dertig jaar later de muziek alweer beter smaakte. Hoe had ik bijvoorbeeld Mysteries and Mayhem en The Pinnacle níet op dat cassettebandje kunnen zetten?!
Wat me ook weer duidelijk wordt, is het verschil met de veelal Britse symfogroepen van die tijd: bij Kansas zit véél meer energie. Songs op hoog tempo, gedragen door de bril-jan-te drummer Phil Ehart. In combinatie met de ingenieuze en melodieuze composities van Livgren - maar onderschat Walsh en Steinhardt niet - levert dit wederom een achtbaan aan ideeën en variatie op.
Nadat ik laatst de plaat op vinyl kocht bij Velvet in Ede, bleek bovendien dat rustiger nummers als Two Cents Worth inmiddels veel meer binnenkomen. Kortom, mijn waardering groeit met de jaren, als die voor een vrouw die met het klimmen van de jaren steeds mooier wordt. Van de drie sterren die ik vermoedelijk in ’85 had gegeven, maakte ik er vandaag vijf.
Hierboven noemden anderen de kunstige hoes van deze plaat. De vriend van wie ik indertijd de plaat leende, zie ik nog altijd; gewapend met een Museumjaarkaart bekijken we regelmatig meer kunst. De hoes is de reden dat ik Masque alsnog op vinyl wilde hebben. De voorzijde blijkt een reproductie te zijn van een schilderij van Giuseppe Arcimboldo, genaamd Water (1566). Wat blijkt: het hangt in Brussel; ik wil ‘t weleens met eigen ogen zien!