Met: Miles Davis (trompet); Hank Mobley (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums); plus de 21 leden van Gil Evans' orkest
Liveopname van 19 mei 1961 die duidelijk in een sjieke concertzaal is opgenomen en niet in een jazzclub. Dat maakt de livesfeer wat afstandelijker (hier geen Village Vanguard-achtig gerinkel van glazen op de achtergrond), al is het muzikaal gezien dik in orde.
Davis maakte zijn studioplaten op dat moment afwisselend met het orkest van Gil Evans en met zijn 'working band' (de band waarmee hij optrad in clubs). Hier kiest hij slim om beide mee te nemen naar Carnegie Hall, waardoor hij het publiek zowel kan bedienen met hoogtepunten uit zijn werk met kleine jazzbands ('So What'; 'Walkin'' 'Oleo') als met selecties van zijn orkestrale platen. Ook voor de luisteraar in 2021 zorgt het voor fijne afwisseling.
De geluidsbalans is hier en daar een beetje 'meh', en alleen bij vlagen wordt het niveau van de beste studio-opnames bereikt. Echte meerwaarde krijgen we - ironisch genoeg- vooral op momenten dat Miles Davis zelf stil houdt: hij stond in die tijd erom bekend redelijk beknopte solo's te spelen en dan de band zijn gang te laten gaan.
Dit is niet één van de meest befaamde Davis-kwintetten: Mobley zou al snel door Davis worden ontslagen vanwege 'te saai'. Toch is juist in de lange stukken waarin Mobley of pianist Wynton Kelly domineren te horen hoe goed deze band vooral op elkaar was ingespeeld. Het viertal smelt samen in een stel heerlijke grooves, die dit album de status van greatest hits-avondje doet ontstijgen.