'Never change a winning team' moet Othon Matargas gedacht hebben. De excentrieke Griekse pianist die woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk zien we herenigen op dit tweede album met Marc Almond en Ernesto Tomasini.
Die meneer die zo hoog zong op het debuut? De meneer die er soms voor zorgde dat het too much was? Ja, die meneer. Hij zingt ook een versie van Last Night I Paid to Close My Eyes maar die is alleen op single te verkrijgen. Op dit album de versie met Marc Almond.
Tomasini is behoorlijk aanwezig op dit album en ik was daar toch wel een beetje huiverig voor omdat ik hem op het vorige album niet altijd even goed wist te pruimen.
Mataragas opent dit album zelf op het instrumentale Impermanence. Opvallend omdat hij dit nummer al vaker live heeft uitgevoerd waar Tomasini hem dan vocaal ondersteunt. Hier dus niet en daarmee is het juist een fijne piano-opener geworden. Maar wacht u vooral nog even af tot het laatste nummer.....
Tomasini horen we dan op At Night en gelijk valt op dat hij hier weinig vocale acrobatiek laat horen waardoor zijn stem aangenaam overkomt. Niet de gillende sirene zoals we hem ook wel kennen. Het nummer zelf is ook niet zo excentriek zoals ze die op het debuut wel te vinden waren.
Camille O'Sullivan zingt A Trip to Paradise een vaudeville nummer in de stijl van bijvoorbeeld Marc Almond. Hier valt werkelijk niets op aan te merken buiten het feit dat we dit wel vaker gehoord hebben en het een prettig voortkabbelend nummer is. Wel zo eentje die sluipend z'n werk doet en vervolgens uitgroeit tot iets heel moois.
Dat kunnen we minder goed zeggen van The Fall: zwaardere piano-klanken en Tomasini laat horen dat hij wel degelijk nog steeds flink de hoogte in kan met zijn stem. Het is een klassiek getint nummer dat toch een goede indruk weet te maken op mij.
De overgang naar het instrumentale Mystery Star Dance is dan ook niet meer dan logisch: cello en piano vormen altijd een fijne combinatie en dat is hier al niet anders.
Het is wel duidelijk dat Impermanence een behoorlijk divers album is geworden en toch ademt het één duidelijke sfeer.
All Too Soon kent ook geen zang in de vorm van een gastmuzikant; hier zingt Othon zelf. Het is een nummer geschreven voor een vriend van hem die recentelijk is overleden aan een overdosis heroine. Zingen is overigens een groot woord. Het is een zangerige spoken word vorm met een zeer zwaar Grieks accent. Het heeft wel iets komisch zeker als je beseft dat het ook best een frivool nummer is met zwierige strijkers en pianoklanken. De schoonheidsprijs zal hij met zijn zang niet verdienen maar het is toch ook wel leuk om hem eindelijk zelf eens te horen zingen zeker ook omdat ik dit nummer erg fijn vind.
Tomasini keert terug op het wat sinister klinkende 59, het eerste excentrieke nummer van dit album. Vrij zwaar en daardoor ook wat lastig verteerbaar na de toch wel wat luchtiger tracks die we eerder voorgeschoteld kregen. Ik weet niet goed wat ik er mee moet en dat had ik op het debuut ook al. Het is behoorlijk cabaretesque in de stijl van The Tiger Lillies (die een soortgelijke zanger hebben) maar daar kan ik het beter hebben, misschien wel omdat die albums wat minder gevarieerd zijn.
Maar ach, het duurt nog geen 3 minuten en zo slecht is het nu ook niet. Het is je gewoon wat meer inspannen.
Het is daarna ook gelijk een stuk makkelijker met vriend Tomasini want A Little Dream klinkt een stuk luchtiger: de klassieke instrumenten dartelen dat het een lieve lust is en buitelen heerlijk over elkaar heen. Een nummer waar een mens vrolijk van wordt.
Een engelenkoortje en Marc Almond op Impermanence. Was dat al niet de opener van dit album? Ja, maar dit is compleet anders. Geen piano maar synths en nu dus wel zang van een zanger die ik als torenhoge favoriet beschouw. Een zanger waar je van moet houden want niet iedereen verdraagt hem goed (daar kan ik thuis over meepraten want waar ik lyrisch ben roept mijn partner dat het vals gekweel is). Ook dit nummer is weer compleet anders en toont de enorme diversiteit van deze tweede cd aan.
Last Night I Paid to Close My Eyes is er in twee versies waar alleen de zang verschilt. De versie van Marc Almond is te vinden op dit album en de versie met Tomasini is als single te koop (een dubbele a-kant met de Almond versie).
Ik ben er nog niet over uit wat ik er nu van moet vinden. Het is typisch Almond maar wel die van het kitscherige soort en dan ook op het randje. Je hoort het André Hazes zo ook zingen in een Nederlandstalige versie mocht de beste man nog leven.
Het nummer Impermanence keert nog eenmaal terug en nu dus wel met zang van Ernesto Tomasini. Zoals ik eerder al zei hebben ze dit live al vele malen opgevoerd en ze hebben aan die versie niet zo veel gesleuteld. Een kerkorgel vormt de basis voor deze uitstekende uitsmijter waar de zang me wederom niet stoort. Hemels mooi zou ik graag willen zeggen.
Othon noemt zijn muziek 'Pan Muzik' en dat staat voor: ''a new off-limits musical genre that includes all genres! An all-embracing and holistic style of music neither exclusively experimental nor pop, neither strictly progressive nor banal'.
Het is maar dat u het weet. Ik vind het een zeer sterk album dat wat makkelijker overkomt dan voorganger Digital Angel.
Dit gaat nog vele luisterbeurten krijgen.