Met: Sonny Rollins (tenorsax); Red Garland (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums); John Coltrane (tenorsax op ‘Tenor Madness’)
Sonny Rollins was in 1955 de gewenste saxofonist van Miles Davis voor diens nieuwe band, maar had het te druk met afkicken en andere (muzikale) projecten, waardoor dat baantje naar John Coltrane ging. Kort daarna begint een drugvrije en herboren Rollins aan het opnemen van een reeks soloplaten die hem de belangrijkste jazzsaxofonist van de late jaren vijftig zullen maken. Op deze, de derde uit de reeks, werkt hij samen met de muzikanten die uiteindelijk door zijn oude maatje Davis werden ingehuurd.
Ook Coltrane is op de opener en titeltrack van de partij. De beloofde ‘Tenor Madness’ is vooral tenor-gezelligheid, vooral als je het vergelijkt met wat de heren in de jaren daarna nog zouden opnemen. Vooral natuurlijk historisch interessant (de enige bekende studio-opname waar beide saxofoonkolossen op meespelen) maar ook best tof om de heren twaalf minuten licks te horen uitwisselen. Coltrane is energiek en creatief, en toch wint Rollins het hier op gevoel.
De rest van de plaat is eigenlijk nóg interessanter, al wordt je zelden echt overdonderd. Toch, prettig swingende midtempo nummers als ‘Paul’s Pal’ en zwoele ballads als ‘My Reverie’ druipen van de muzikaliteit. Behalve Rollins, wiens soepele stijl en emotionele overtuigingskracht een genot is om naar te luisteren in deze periode, voelt Garland zich duidelijk senang bij deze sfeer, en is Chambers de baas in de lage regionen. Alleen een wat minder dan normaal uitbundige Jones blijft een beetje de grijze muis.