James Jackson Toth is een singer-songwriter die je niet in een hoekje kunt duwen, en zo kom je ze niet bij dozijnen tegelijk tegen. Ik zou zijn naam, zeker nu zijn nieuwste, ‘Blood Oaths of the New Blues’, zo’n goeie plaat is gebleken, zelfs durven bijzetten in het rijtje Oldham – Elverum – Molina. Ook muzikale duizendpoten die desondanks altijd vertrouwd en bekend in de oren klinken. Toth is een man die zich onder de fraaie schuilnaam Wooden Wand een unieke identiteit heeft aangemeten, het resultaat is navenant.
‘Blood Oaths of the New Blues’ is een plaat die traag van start gaat, en na de eerste luisterbeurt had ik dan ook mijn bedenkingen. “Waar zijn die startblokken naartoe?” vroeg ik me af. Maar het is iets waar je omheen moet kijken; de verstilde pracht, het intiem ontwapenende en tegelijk cryptische (die teksten!) van nummers als ‘Outsider Blues’ en ‘Supermoon (The Sounding Line)’ slaat na een heel aantal luisterbeurten als een moker in mijn gezicht.
Toth heeft op dit album een flinke greep uit de Amerikaanse muziekfolklore genomen. Hij heeft zijn spooky folk aangevuld met accentjes country, blues en rootsmuziek. De opener is een lange zit, maar meer dan de moeite waard. Een lange intro, traag tempo de hele tijd, maar niet de vervelende soort, prachtige frasen zoals “She retreats to the gardens, confesses to water and leaves that lake muddy and soiled”.
Ongemerkt gaat deze lange opener over in ‘Outsider Blues’, het verhaal van een beschadigde ik-persoon en zijn vriendin, een artieste die haar eerste werkje heeft verkocht, en om dit te vieren besluit het koppel af te rijden naar het Outsider Blues Fest in Toronto. Wat zich ontvouwt is een aaneenschakeling van levensechte scenes, die niemand onbetuigd kan laten. Ik zou de hele tekst kunnen citeren, maar dat laat mijn stuk langer lijken dan het in feite is. Luister zelf, is mijn advies. Ook op muzikaal vlak is het de moeite, zeer ingetogen en beheerst, met een zeker repetitief gehalte en vooral een prima ondersteuning voor de zang van Toth.
Tussendoortje ‘Dome Community People (Are Good People)’ draagt niet echt veel bij tot de plaat, ben ik van mening, maar slecht is het zeker niet. Je kan het beschouwen als een soort soundscape, maar van mij had het niet zo nodig gehoeven. Gelukkig wordt het hoge niveau daarna wel weer teruggevonden. ‘Dungeon of Irons’ is een nummer met een duidelijke country-feel (van de meest ingetogen soort, dat wel), zowel in zang als instrumentale begeleiding te bespeuren. Het nummer heeft een macabere ondertoon, als je weet dat het over moord handelt, en dan vooral over het feit dat dit moreel abject is. Een erg mooie vraagt eist de aandacht op: “When you die with a lie on your mouth, does that lie make a sound?” De vraag kan als retorisch beschouwd worden, maar is zeker relevant; Toth graaft diep in de ziel van de mens.
‘Supermoon (The Sounding Line)’ is ronduit confronterend. De country-invloeden zijn ook hier te horen (prachtige samenzang ook met een voor mij onbekende dame, heb er ook niets van weten te vinden). Ik heb gelezen dat het nummer over zelfmoord gaat, en dat zou je er zeker in kunnen zien, maar het zou evenzeer een metafoor kunnen zijn. Mark Twain, meester van de dubbelzinnige uitspraken, wordt erbij gehaald; een hint? De laatste strofe is echter de duidelijkste verwijzing naar de suïcide van de ik-persoon:
“I’m not leaving any clues when I leave this afternoon;
No one will ever find, no one will ever find;
No one will ever find my sounding line.”
‘Southern Colorado Song’ is, samen met ‘Outsider Blues’, mijn favoriete song op dit album. Terwijl de concurrentie toch ook al niet minnetjes is. Een uiterst geslaagd huwelijk tussen ghost folk (die echoënde spookvocalen op de achtergrond bezorgen me letterlijk kippenvel) en ingetogen country (die slepende gitaarlijn, de melancholische sfeer), met als gigantische kers op de taart een beklemmende tekst, die het verhaal vertelt van de Dougherty Gang, en een onthutsende conclusie trekt: “Sometimes nowhere seems the only place to go.”
‘Jhonn Balance’ is genoemd naar één van de aanstokers van de Britse grensverleggende band Coil. De ik-persoon heeft zijn hart uitgebraakt, men heeft geld ingezet op zijn ziel, hij opent brieven liever wanneer er niemand thuis is. De frase “Nobody’s home” heeft een dubbele betekenis; het kan slaan op vereenzaming en de angst daarvoor, maar het kan ook refereren naar paranoia en schizofrenie, en daarmee net de wens om alleen te zijn. ‘No Debts’ sluit de plaat af met het voorstel met een schone lei te herbeginnen: “No burdens, no loads, nothing promised, nothing owed; only smooth sailing now”.
En zo heeft James Toth aan het begin van het jaar al meteen uitgepakt. ‘Blood Oaths of the New Blues’ is een plaat die zowel zwaar op de maag kan liggen (de teksten) als ontspannend kan zijn (muzikale inkadering). Om dat eerste nog eens extra in de verf te zetten, enkele mooie tekstuele passages:
“We all shoot to kill, but more often miss and still no one I know feels lucky.” (‘No Bed for Beatle Wand / Days This Long’)
“I’ve never seen my own heart – we never see our own hearts, that’s the truly weird part!
Can’t assess any damage or survey the scars.” (‘Outsider Blues’)
“And a parking lot shot through the pain pills and booze;
Kristy kept bumping me with her hip and smiling;
I might have felt like I was saved then;
But I know what I feel’s just one version of real;
If there’s one thing that can’t be taught;
It’s belief.” (‘Outsider Blues’)
“An old letter in a book I’ve never want to stay.” (‘Supermoon (‘The Sounding Line)’)
4,5 sterren