Zelfs degenen die de beginjaren van Thin Lizzy met Eric Bell waarderen, zijn het erover eens dat hun tweede werpsel
Shades of a Blue Orphanage de minste van de drie is. Zoals
Sir Spamalot het hierboven zo fraai verwoordt: “Laatavondplaat”.
Hun debuutplaat was eind 1971 tot beste album van dat jaar verklaard door dj Kid Jensen van Radio Luxembourg. In januari 1972 ging de band de studio in voor de opvolger, die van platenmaatschappij Decca bovendien een klaphoes kreeg. Producer was Martin Birch, bekend van zijn werk met Deep Purple. De gitarist van die groep, Ritchie Blackmore, probeerde tijdens de opnamen of hij zanger/bassist Phil Lynott kon wegkapen voor een nieuw project. Diens basspel was in die dagen echter nog te pover, waardoor het de beroemdheid uiteindelijk toch geen goed idee leek.
Op de opener na schreef Lynott alle nummers in zijn eentje. Deze hebben vaak een akoestische basis en in dit geval komt dat de bandversies niet ten goede. Het kabbelt teveel.
Met het tomsintro van opener
The Rise and Dear Demise of the Funky Nomadic Tribes (de titel…) verwacht je een stevig rockende track, maar nergens komt het liedje los. Niet onaardig, evenmin pakkend.
Buffalo Gal bezingt Lynotts lief, of is het een cowboylied? Met zijn aparte ritme een lekkere song.
Energie ontbreekt al helemaal op de andere songs op de A-kant. Vooral op de Elvisode
I Don’t Want to Forget how to Jive en de ballade
Sarah. Die laatste track is opnieuw een ode, nu aan Lynotts grootmoeder, degene die hem opvoedde tijdens zijn jeugdjaren in Dublin. Op zich een bescheiden pareltje, maar eentje die had moeten profiteren van luide tracks rondom.
Op de B-kant wordt dan eindelijk stevig gerockt:
Baby Face mag er zijn. Maar dan volgt
Chatting Today, een vrolijk akoestisch liedje dat thuishoort in een folkclub. Lekker met je kopje groen thee (of glas wijn met kaas) naar een singer-songwriter luisteren? Dat is niet waar deze Lizzyfan voor kwam, al begint het niet onaardig.
Call the Police is dan weer steviger, maar de dikke zeven mellotronminuten van de trage, poëtische titelsong doen de plaat definitief doodbloeden.
De vurig gehoopte doorbraak bleef dan ook uit. Als de band in november 1972 op tournee gaat als voorprogramma van de dan immens populaire glamrockband Slade, laait de hoop echter op. Zeker als non-albumsingle
Whisky in the Jar vanaf januari '73 een internationale hit wordt.
In de biografieën Philip Lynott the Rocker (1994) en Cowboy Song (2016) wordt de tournee het keerpunt genoemd. Na slechts drie nummers te hebben gespeeld druipt men af naar de kleedkamer, geschrokken van de afkeurende reacties van het publiek tijdens die eerste show in Newcastle. Tourmanager Chas Chandler, van Hendrixfaam, stormde de kleedkamer binnen en gaf een verbale aframmeling: ‘Jullie zijn hier om het publiek wakker te maken, niet om het in slaap te brengen!’
Deze alarmbel zou de aanzet zijn voor de steviger muzikale koers die de band prompt ging varen, waarbij Lynott stapsgewijs zou leren hoe te groeien als frontman.
In 2010 verscheen een
cd-editie met maar liefst negen bonustracks. Hierop is single
Black Boys on the Corner / Whisky in the Jar te vinden; de B-kant werd de A-zijde, een kortstondige populariteit van de groep brengend.
Van
Buffalo Gal,
Sarah en
Brought Down vinden we de bijgewerkte versies uit 1978, van een vers laagje gitaren en/of toetsen voorzien door Gary Moore en Midge Ure; oorspronkelijk te vinden op deze boeiende
meer-dan-slechts-een-compilatie. Daar profiteert vooral
Brought Down van, dat in de remix met de nieuwe gitaarpartijen van Moore lekker knalt.
Tenslotte horen we de vier tracks die in november ‘72 bij BBC’s John Peel werden opgenomen. De titelsong van
Saga duurt ruim drie minuten, wat geschikter is voor dit rustige liedje. Ook komen we een vroege versie van
Suicide tegen, hier met gitarist Eric Bell op slidegitaar. Voor mij net zo lekker als de latere versie met de gitaristen Gorham en Robertson! Op
Whisky in the Jar klinkt Lynott heser dan ik hem ooit hoorde.
De dromer-dichter Philip Lynott zou de daaropvolgende jaren ruimte moeten laten aan de rocker Phil. Dankzij de extra’s kom ik nog op 2,5 ster, maar ook in mijn visie de minste plaat die Lizzy maakte.