Dit is opnieuw album waarop de meesterlijke gitaar van Manuel Göttsching een hoofdrol op heeft. Heerlijk klanken die hij uit dit instrument weet te halen stromen mijn oren in en met de minuut begin ik mij steeds gelukkiger te voelen. Daar later meer over.
De hoes zet me wel aan het denken. Is het iemand die een teug water tot zich neemt of deze juist schenkt aan de wasbak. Hoe langer ik hier na kijk des te lastiger het wordt deze vraag te beantwoorden.
Dit album begint met op het eerste gehoor saai klinkende Ice Train, maar naar een paar luistersessies krijg ik toch het gevoel in een trein te zitten met zware bakken ijs achter me. Club Cannibal is alleen al om de titel leuk te noemen. Een lekker ritme met wijdse klanken komen de boksen uit. Dit gaat helaas wat te lang door. Oasis is zo'n track waar het heerlijk is om op weg te drijven. De goed bespeelde gitaar van Göttsching versterkt dit gevoel nog eens, je wil iets pakken, maar het is er niet. De sfeer die in deze track geschappen is wordt meegenomen in de volgende track, waar na enige tijd een goed in het gehoor liggend ritme bij komt. Waarom dit Bamboo Sands heet is mij een raadsel. Het heeft wel iets tropisch. Morgana Da Capo heeft in het begin iets weg van Klaus Schulze, maar zodra de gitaar van Göttsching erbij komt is het gelijk weer Ashra en dat is niet negatief bedoeld, want deze is gewoon goed te noemen. Pas de Trois is in eerste instantie zo'n track van 13 in een dozijn, edoch bij het kritisch luisteren er naar zit het toch best wel listig in elkaar. Heerlijke muziek om lekker gek op te doen, met wel de gordijnen dicht om er voor te zorgen dat er geen roddels van je door de wijk gaan. Ja, en dan toch te snel de laatste track van dit album, Phantasus. Op het eerste gehoor doet het aan Alan Parsons denken, zo'n sfeertje van er kan mij niets gebeuren. Toch is hier de gitaar van Göttsching op deze plek de met zeer veel liefde opgeklopte slagroom waar Parsons alleen van dromen kan........