Vanaf mei 1980 las ik als kersverse puberfan van het zwarte Black Sabbath álles over hen. Daarbij het bericht dat de band met het blauwe Blue Öyster Cult zou gaan touren door de Verenigde Staten, onder de noemer Black & Blue.
De hoezen, het swastika-achtige logo en de umlaut in de groepsnaam (lang voordat Motörhead er furore mee maakte) hadden al eerder mijn aandacht getrokken. Dit moest héél heftige muziek zijn! Toen ik najaar 1980 oud genoeg was om lid te kunnen worden van de fonotheek in het dorp, ging ik ook hun werk ontdekken. Daarbij was ik wel enigszins op mijn hoede: als dit maar geen nazishit bevatte...
Mijn eerste kennismaking was via On Your Feet or on your Knees uit 1975. Op de hoes staat prominent een begrafeniswagen voor een kerk. Het zette me onmiddellijk op het verkeerde been: dat deze dubbelaar een liveplaat is, had ik niet zien aankomen. Dat was omschakelen qua verwachtingen.
Tweede verrassing: muzikaal gezien is het niet zo hard. Het imago doet weliswaar aan metal denken, maar op deze plaat klinkt de muziek stukken rustiger. Sterker nog, de zang viel al helemaal tegen. Die is als die van een standaard rockbandje, waar ik Dioaanse krachtpatserij had verwacht.
Maar deze puber met een bescheiden budget en nauwelijks eigen platen had weinig keus. Dus werden de vier plaatkanten gedurende drie weken regelmatig gedraaid. Vier songs sprongen eruit, ik herken ze nog altijd als ik ze (nu van streaming) draai.
Het zal de zomer van '81 of '82 zijn geweest, warm was het zeker toen ik de dubbelaar draaide, helaas door een eerdere lener van de binnenhoezen ontdaan.
Harvester of Eyes met z’n prachtige gitaarsolo in het laatste deel; die kwaliteit wordt in het instrumentale Buck’s Boogie nog eens spetterend overtroffen. Absoluut hoogtepunt vond ik (Then Came the) Last Days of May; prachtige titel en doordat het liedje ingetogen is, vallen de bescheiden zangkwaliteiten niet negatief op. En wát een solo, hoe goed getimed! Op afsluiter Born to be Wild, van Steppenwolf geleend, gaan de mannen dan eindelijk eens goed lós; althans, in de oren van de tiener die regelmatig had zitten zuchten op zijn hete zolderkamer.
Regelmatig was ik opgeveerd, meestal voor slechts even. Het intro van M.E. 262 klinkt bijvoorbeeld als het Status Quo van die jaren, maar dan zonder de intensiteit van de Britse band. De her en der opduikende sterke gitaarsolo’s vond ik hoogtepuntjes in de vaak (te) lange versies, zoals in Before the Kiss (A Reward).
Opvallend is dat de band tweemaal op een ongewone plaats wordt geïntroduceerd: bij aanvang van het tweede nummer én bij aanvang van de afsluiter. Naar ik vermoed omdat sprake is van een livecompilatie van diverse concerten. De tweede aankondiging is iconisch met zijn wolvengehuil.
Een dikke veertig jaar later glimlach ik om de puber die ik was. De opnamen dateren van 1974: hetgeen ik verwachtte zou pas vanaf 1979 opduiken, enkele nummers van Purple en Sabbath daargelaten. De plaat werd een ontnuchterend geschiedenislesje.
Mijn "ikken" van toen en nu vinden dezelfde nummers leuk. Hierbij valt me nu op dat de band in muzikaal opzicht een plek tussen de eerste generatie hardrock (Steppenwolf, MC5) en southern rock inneemt. De gitaarsolo's bijvoorbeeld doen me aan het laatste genre denken. Ze blijken nog altijd een klasse apart.
Van vermeende nazisympathieën heb ik rond BÖC nooit iets gemerkt. Wel met het flirten met het occulte (hier op Seven Screaming Diz-Busters, waarin "stoer" over een gesprek met Lu Cifer, hun grap, wordt verteld). Wat dat betreft tref je hier thematiek aan die later binnen metal modieus werd. Ook science-fiction bleek een terugkerend thema, op dit album zich uitend in geinige synthgeluiden, progressief voor die tijd.
Leuk om weer eens te horen, vier nummers komen op mijn streamingplaylist van de band.