Davis' eerste studioplaat na zijn 'sabbatical', die hij naar eigen zeggen vooral vulde met cocaïne, drank en zoveel vrouwen dat hij zich de namen niet eens meer herinnert. Met dank aan o.a. zijn vroegere vriendin en latere echtgenote Cecily Tyson en producer George Butler wordt hij na vijf jaar weer langzaam terug naar een gezondere levensstijl en de studio geleid. De platen die hij in de jaren tachtig nog maakte hebben de reputatie een beetje té glad te zijn, maar deze eerste vind ik in ieder geval wel oké.
Voor zijn eerste sessies in ruim vijf jaar gebruikt hij de band van zijn neefje Vince Wilburn, die drums speelt. Twee tracks halen de plaat: 'Shout' is gewoon ronduit muzak, en het titelnummer (met zang) vind ik vooral onbedoeld komisch. Voor volgende sessies wordt drummer Al Foster teruggehaald (de enige van zijn oude bandleden die terugkeert), op elektrische bas wordt sessiegigant Marcus Miller gerekruteerd en er is een nieuwe tenorsaxofonist die verwarrend genoeg Bill Evans heet (niet te verwarren met de Kind of Blue-pianist), plus nog wat anderen.
Met deze band gaat Davis verder op het funkrock-paadje dat hij in 1975 had achtergelaten, alleen meer gestructureerd en, het moet gezegd worden, minder avontuurlijk. De drie tracks die naar vrouwen genoemd zijn (blijkbaar namen die hij wél had onthouden, hij zei: "Het gevoel van de muziek zegt alles over ze") hebben een lekkere postbop feel en zijn het beste dat de plaat te bieden heeft. Dan alsnog wordt er redelijk op safe gespeeld. Maar met een lekkere vibe en redelijk wat fijne momenten kun je een slechtere comeback maken.