Met: Miles Davis (trompet, synthesizers); Robert Irving III (synthesizers, drumcomputer); Bill Evans, Branford Marsalis (sopraansax); John Scofield (gitaar); Darryl Jones (elektrische bas); Al Foster (drums); Mino Cinelu (percussie)
Davis neemt afscheid van vaste producer Teo Macero, met wie hij al werkte sinds Sketches of Spain (1960!) en die met enig knip- en plakwerk sterk verantwoordelijk was voor de sound van de 'elektrische Miles'. In plaats daarvan produceert de trompettist deze plaat zelf met zijn neefje Vince Wilburn en diens collega Robert Irving III, die beiden ook al te horen waren op The Man With The Horn.
Met de stilistische keuze om de sound te verdrinken in funky baslijntjes en kekke synthesizerpartijen raakt Davis me eerlijk gezegd een beetje kwijt. Hoewel je genoeg mensen plezier doet met deze plaat (zie ook de oudere berichten hier) klinkt het voor mij allemaal als een soundtrack van een cheesy misdaadfilm uit die tijd. Of misschien preciezer: een wat minder slaperige versie van het soort wachtmuziekjes dat je hoort als je een klantenservice belt.
Jammer, want Davis zelf speelt best aardig, en hij blijft een neusje voor talent houden. Behalve gitarist Scofield (uitblinker) horen we ook mooi spel van Darryl Jones (die nu bij de fucking Rolling Stones speelt) en een jonge Branford Marsalis. Saillant detail is dat Davis ongeveer in diezelfde periode een publieke fittie heeft met Branfords trompetspelende broertje Wynton, die zich respectloos over de oude meester zou hebben uitgelaten. Dat vindt althans Davis zelf, die in zijn autobiografie een paar jaar later twee pagina's doorgaat over hoe weinig het hem interesseert wat Wynton over hem zegt.
Sowieso horen we volgens mij, in dit krampachtig proberen aan te sluiten bij de tijdsgeest, veel angst en jaloezie terug van een muzikant die zowel als artiest als qua gezondheid de aansluiting met de jeugd aan het verliezen is. Aanleiding voor deze sound zou het succes van Herbie Hancocks fusie-platen zijn. Hancock was een aantal jaar daarvoor nog in dienst van Davis, maar streefde hem intussen voorbij in populariteit.
Na zijn comeback speelt Davis een paar shows in het voorprogramma van Hancock, en als die laatste backstage komt om hallo te zeggen, stuurt Davis hem weg met de opmerking dat de kleedkamer alleen voor bandleden is. Later geeft hij toe dat dit ook wel erg kinderachtig was, maar Miles blijft Miles. Ook de geforceerde vernieuwingsdrang hoort daar wel bij, maar hier slaat hij de plank toch wel mis, vind ik.