Het enthousiasme waarmee Bernie Marsden in zijn autobiografie Where's My Guitar? over dit album schrijft is aanstekelijk. Toch ben ik iets minder enthousiast over de debuutelpee van de groep.
1978 was het eerste jaar van Whitesnake en meteen heel intensief. Nadat de EP
Snakebite in maart verscheen, werd in mei gestart met de opnamen van
Trouble.
In de zomer volgde een volgende offensief. In juni, tijdens het WK voetbal, wordt bij
Top of the Pops Bloody Mary van de EP gespeeld (Black Sabbath is er om
Never Say Die te promoten maar Marsden heeft vooral interesse voor Bob Marley), gevolgd door onder meer een concert in de Londense
Lyceum. Na een optreden in de eveneens Londense Strand met in het vijftienhonderdkoppige publiek ook de EMI-staf, krijgt de groep een contract bij sublabels United Artists/Liberty.
Als toetsenist Jon Lord, eveneens ex-Deep Purple, begin augustus mixen van het album
Trouble hoort, dient hij prompt een verzoek in om deel uit te maken van Coverdales nieuwe groep. Exit Pete Solley, wiens bijdragen worden vervangen door die van Lord.
In september verschijnt een "verzamelelpee" die opnieuw
Snakebite heet, in oktober gevolgd door
Trouble.
Hierop klinkt melodieuze hardrock in blues gedrenkt, door Coverdale onomwonden
cockrock genoemd. In contrast daarmee de dansende baslijnen van Neil Murray (die waren de reden dat hij in 1976 Colosseum II moest verlaten), welke samen met drummer Dave Dowle een solide basis neerzet. Daarover het gitaartandem Micky Moody - Marsden en toetsenist Jon Lord. Als blikvanger David Coverdale, wiens bronzen stem tevens de oren diende te veroveren.
Met Deep Purple op het cv van twee groepsleden én de terugkeer naar hardrock waren de mogelijkheden groot, verwachtte manager John Coletta. De muziek verscheen via diens label Sunburst. Geleidelijk zouden de groepsleden ontdekken dat hun contracten enkele nare trekjes bevatten ten faveure van Coletta. In 1981-'82 zou dit tot een ingrijpende breuk met het management leiden.
Op
Trouble was dat alles nog onbekend en klinkt een groep als opgetogen koeien in de lente, die voor het eerst de wei in mogen. Neem bijvoorbeeld
Nighthawk (Vampire Blues) waarin de anderen meedansen met Murrays basgitaar en Dowle flink van zich af mept.
Dat neemt niet weg dat de groep nog zijn weg moest vinden. De composities zijn meestal middelmatig, inclusief de overbodige Beatlecover
Day Tripper (maar heb ook bar weinig met de groep uit Liverpool), inclusief het gitaarfoefje van die dagen, de talkbox. Marsden was hier echter heel trots op!
Drie keer veer ik op. Dit bij het midtempo
Love to Keep You Warm, het dansende
The Time Is Right for Love en het slepende titelnummer.
Vier keer is het aardig: de aftrap van
Take Me with You is me iets te springerig; het instrumentale
Belgian's Tom Hat Trick in de geest van een Rory Gallagher mag er ook zijn en in
Free Flight drumt Dowle vol klasse; het uptempo
Don't Mess with Me doet me aan de aftrap denken, dat nét wat te graag wil. Producer Martin Birch zet opvallend genoeg naast de zang ook de bas hoog in de mix, met de gitaren en toetsen iets daaronder.
Op streaming te vinden met de Amerikaanse/Canadese kleurenhoes, is de oorspronkelijke cover zoals MusicMeter hem toont.
Een groep ervaren muzikanten staat hier nog aan het begin. Ze groeiden met alle optredens echter snel naar elkaar toe. Marsden beschrijft zijn ervaringen enthousiast, waarbij een privéoptreden op zijn oude middelbare school met als speciale gast... David Coverdale; ontmoetingen met B.B. King en George Harrison leveren bij het lezen meer glimlachjes op.
Al in januari 1979 werd een begin gemaakt met de mix van livealbum
Live... in the Heart of the City (1980) en tegelijkertijd werd muziek geschreven voor de opvolger, studioplaat
Lovehunter ('79).