In haar KRO-radioprogramma Stampij draaide Hanneke Kappen enthousiast nummers van deze plaat, vooral
Road Racin'. Het was 1979, 1980 en ik kwam het liedje ook tegen op de verzamelaar
Metalmania. Gelukkig voor mij stond
Narita in de bakken van de fonotheek.
Hoe schattig: een zeehondenjong keek mij vanaf de hoes aan. Dit beeld associeerde ik onmiddelijk met Greenpeace, dat in die jaren fanatiek aandacht vroeg van een jong publiek met o.a. waarschuwende beelden van doodgeknuppelde zeehondenjongen. "Hoe zielig, aaah..." vond iedere weldenkende tiener.
De zeehond van Riot echter was minder weerloos: om hem heen liggen allemaal menselijke schedels. De functie van het naderende vliegtuig was minder helder, maar de bijl in de hand van het knuffeldiertje deed het nodige vermoeden over wat er was gebeurd.
Op de achterkant van de hoes zagen we enkele toffe livefoto's van de mannen plus de nodige informatie. Tijdens schoolpauzes spraken mijn maatje en ik er begeesterd over. Zo viel het ons op dat de bassist dezelfde achternaam had als het riffbeest van Black Sabbath. Maar vast geen familie, want dat dit een New Yorkse band was, hadden we bij Hanneke gehoord en in Oor gelezen.
De plaat stelde bepaald niet teleur. Hoge energie hardrock, tegen metal aan. Behalve alle sterke uptempo composities, riffs en zanglijnen beschikte de band over nóg twee troeven: de kristalheldere en tegelijkertijd krachtige stem van Guy Speranza én het altijd flitsende solowerk van Mark Reale. De vette productie, waarin de basgitaar onopvallend maar effectief boven in de mix ligt, deed de rest. Ook lekker: twee gitaristen, waardoor tijdens de talrijke solo's altijd een geluidsmuur bleef, anders dan bij veel andere bands.
Uitgebracht in '79 is dit misschien wel de beste plaat uit het genre van dat jaar. Vergelijk 'm bijvoorbeeld eens met het debuut van Saxon: Riot liet horen hoe het moest.
Narita was namelijk in tegenstelling tot de voorganger in Nederland geperst en uitgebracht; enige tijd dachten wij dat dít hun debuut was.
Mijn favorieten van toen zijn mijn favorieten van nu. Op de A-kant:
Waiting for the Taking met zijn ultrakorte intro,
49'er (later ontdekte ik dat dit een Amerikaanse uitdrukking is voor een gelukszoeker, een verwijzing naar het jaar 1849 toen goudkoorts de kop opstak), het opgevoerde
Born to be Wild, waarvan het origineel indertijd nog vaak op de radio klonk, en uiteraard die heerlijke instrumentale titelsong.
Op kant B: de van een snelle shuffle voorziene meezinger
Here We Come Again, het snellere
White Rock en het snelste
Road Racin'.
Jong, fris, melodieus, krachtig, betonhard en flitsend: het komt allemaal samen op deze klassieker. En dat al in '79!