Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)
Behalve op ‘Nothing Like You’, met Bob Dorough (zang) en een hoop andere mensen.
Davis’ kwintet gaat redelijk in dezelfde lijn verder als op hun vorige
twee platen. In zijn autobiografie heeft Davis ook weinig specifieks over deze plaat te melden (sowieso lijkt de periode met zijn ‘tweede grote kwintet’ als één kluwen in zijn hoofd te zijn opgeslagen), al vertelt hij wel een hoop over de (eerder dit jaar overleden) Cecily Tyson, de dame op de fraaie hoesfoto en op dat moment zijn minnares.
Even om te onderstrepen dat de platen van dit kwintet, op zichzelf grensverleggende muziek, stilistisch gezien best wel op elkaar lijken. Misschien zet de band op deze plaat nog een stapje extra naar een wat abstracte, mystieke stijl. Uitzonderingen zitten aan de uiteindes: ‘Prince of Darkness’ is een betrekkelijk toegankelijke en melodieuze bopper, en ‘Nothing Like You’ is een niemendalletje uit 1962 met een heel andere band, wat misschien als grapje hier achteraan is geplakt, maar eigenlijk alleen de sfeer van de plaat met terugwerkende kracht schade toedoet.
Op de overige nummers wordt vooral veel artistiek gemeanderd over de ratelende drums van Tony Williams. Op de beste stukken, vooral het sterke ‘Masqualero’, levert dat een intrigerende, voodoo-achtige sfeer op, waarin het met de ogen dicht goed wegzweven is.
Te vaak blijf ik echter een beetje zitten met de indruk dat hier virtuoze muzikanten bezig zijn met hele interessante en boeiende ideeën, zonder dat ik er iets heel duidelijks bij voel, of nou echt de behoefte krijg dit heel veel te draaien.
Het lijkt me dan op zich nog wel een plaat die je tien jaar later nog eens kan draaien en dan heel anders kan ervaren, maar momenteel kan ik er niet meer van maken.