Misschien dat er een klein zuchtje uit mijn luchtpijp ontsnapte toen ik zag dat de volgende plaat van Miles Davis weer een dubbel-LP was van ruim twee uur. De hoes had ik ooit wel eens gezien, en die vond ik ook niet per se heel aantrekkelijk. Eerste beluistering werpt nog wat drempels op: het slakkengangetje waarmee ‘He loved Him Madly’, zich ontvouwt, en een paar tracks later: de heftige mishandeling van een of meerdere orgels (?) op ‘Rated X’.
Goed, niet zo’n toegankelijke plaat dus. Net als voorganger On the Corner, waarop deze muziek duidelijk voortbouwt, lijkt Get up With it desondanks een plekje te hebben gevonden in de harten van de liefhebbers: Op Rateyourmusic staat ook deze stevig in de top 20 van de jazzlijst aller tijden.
Het album verzamelt voornamelijk opnames van pak ‘m beet de tweeënhalf jaar na On the Corner, met een paar oudere dingen. Zo spelen o.a. Herbie Hancock en Keith Jarrett nog mee op ‘Honky Tonk’ (uit 1970). Het leeuwendeel is echter van later, en opgenomen in een tijd dat Davis’ band weinig vaste waarden had, of het moeten drummer Al Foster en percussionist James Mtume zijn (laatstgenoemde is de zoon van saxofonist Jimmy Heath, voor wie Davis een soort vaderlijke gevoelens leek te koesteren).
Verder is het een komen en gaan van redelijk interessante musici (wel met iets minder ‘star power’ dan in zijn eerdere bands) waarover de trompettist zelf in zijn autobiografie weinig woorden kwijt kan (wie de spelers op deze plaat in de index van het boek opzoekt, vindt weinig diepgaande opmerkingen in de trant van: ‘In die tijd speelde ik ook vaak met die en die.’ De meest interessante anekdote is dan nog dat gitarist Reggie Lucas later het debuut van Madonna zou produceren).
Dat de plaat al met al als een eenheid klinkt, ondanks de waslijst aan personeel en de lange periode van opnemen, wijst erop dat Davis consequent was in zijn muzikale missie van destijds. Dat wil zeggen: het koppelen van het toen populaire funkrock-geluid met de progressieve fusie uit zijn ‘elektrische periode.’ Of in helderder Nederlands: hypnotiserende ritmes met een hoop gepriegel.
Of misschien zorgde producer Teo Macero voor coherentie. Zoals gebruikelijk knipte en plakte hij de plaat in elkaar uit verschillende studio-takes. Misschien ligt er nog een ‘Complete Get Up With It Sessions’-boxset op de plank ergens, en wie het geduld heeft om dát helemaal te beluisteren weet dan hoe cruciaal Macero was.
De muziek dan. Ik moet toegeven (ondanks dat ‘jazzrock’ niet echt mijn ding is) dat ik vooral de tracks van de tweede LP erg kan waarderen, met ‘Calypso Frelimo’ en ‘Mtume’ als uitschieters. Hoewel je kan stellen dat Davis tussen 1972 en 1974 weinig muzikale progressie maakt (voor zijn doen), lijkt hij hier pielenderwijs de beste vorm voor zijn jazzfunk te vinden. De verschillende instrumenten zijn goed gekozen (orgel-mishandeling daargelaten) en de verschillende bandleden voelen elkaar en de groove goed aan. De lange tracks zijn zo opgebouwd dat je zelfs in de meeste rustige of pielerige momenten details hoort die je aandacht vasthouden. Minder dan bij On the Corner heb ik het gevoel van ‘we doen maar wat’, maar toch blijft de jamsessie-achtige spontaniteit van eerdere platen overeind. De broeierige, roadtrip-achtige sfeer weet me soms echt in een soort trance te brengen (vreselijk cliché).
De meest recente opnames (najaar 1974) werden gemaakt kort nadat Davis terugkeerde van een tour in Brazilië, waar hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen na een cocktail aan verdovende middelen te hebben gebruikt. Hij doet er zelf nogal stoer over (‘dat maakt mannen legendarisch’, schrijft hij, en begint dan meteen op te scheppen over de Braziliaanse vrouwen die hij heeft versierd), maar geeft ook toe dat het de eerste keer was dat hij serieus overwoog te stoppen met muziek maken (in 1975 voegde hij daad bij woord).
Get Up With It laat zich lastig interpreteren als het portret van een artiest in verval. De ‘biographical fallacy’ ligt op de loer, en Davis is nooit iemand geweest die emotioneel het achterste van zijn tong liet zien in zijn werk. Zijn cryptische persoonlijkheid is hier in ieder geval in gelijke mate fascinerend en irritant als in veel van zijn beste werk. De plaat heeft, buiten de bril van Davis op de hoes, de tand des tijds ook nog aardig doorstaan.