Mark Kozelek is een echte werkmier. Met een unieke stijl, dan nog wel. Of hij nu een plaat maakt met Sun Kil Moon, een solo-album vol covers van AC/DC uitbrengt, een samenwerking op touw zet met Jimmy LaValle of dit album met Desertshore, waarvan Phil Carney (gitarist van Red House Painters) lid is; het maakt niet uit. Je hoort het aan alles, dat het Kozelek is.
De eerste plaat van Mark Kozelek & Desertshore is simpelweg een self-titled. Daarop staan tien songs, in kwaliteit variërend van goed tot fantastisch, met vooral een stevige isolering; buitenwanden ‘Mariette’ en ‘Brothers’ houden het huis namelijk met groot gemak overeind. ‘Mariette’ wordt vooral gekenmerkt door een geweldig gitaarriedeltje, dat, na de laatste seconden, nog – en dat durf ik beweren zonder te overdrijven – nog uren blijft nazinderen. Het heet iets hypnotisch; net als vele van de geduldig meanderende geluiden die dit album herbergt.
Op dit forum is zijn plaat met LaValle dit jaar veelvuldiger beluisterd dan dit album. Dat zal ook wel iets met LaValle te maken hebben, gok ik, maar hoewel die plaat echt erg sterk is, heeft ook dit kleinood zijn charmes. Het al eerder genoemde ‘Brothers’ bijvoorbeeld, dat instrumentaal een erg sobere inkleuring kent ten opzichte van de andere nummers, en in die optiek dus al een buitenbeentje is. In die afsluiter heeft Kozelek het over de lotgevallen van de drie broers van zijn vader, maar toch ook vooral over zijn vader zelf. In simpele, maar pakkende bewoordingen, schetst hij een beeld zoals wel meer singer-songwriters dat kunnen, maar niemand van de huidige generatie weet het zo treffend te brengen als Kozelek; levensecht. De teksten van Kozelek voelen vaak aan als een samenraapsel van mijmeringen, reminiscenties en anekdotes, maar vormen een coherent verhaal.
‘Brothers’ is niet de enige song waarin hij het over z’n vader heeft. In ‘Hey You Bastards I’m Still Here’ (ontleend aan een scène met Steve McQueen uit de film ‘Papillon’) vertelt Kozelek over het samenzijn met z’n vader, TV kijken en diens meer.
De door elektrische gitaar en drums gedreven muziek van Desertshore boetseert de ideale microkosmos voor de sound en filosofie van Kozelek, die vaak humor een wrang kleedje stopt, en vice versa. Zo doet hij in ‘Livingstone Bramble’ nogal pocherig over zijn eigen gitaarkunsten (“I can play like Malcolm and Neil Young; and I can play rings ‘round most everyone”), en tegelijkertijd zijn overdrijft in zijn afkeuring jegens andere “collegae”: “But I hate Eric Clapton and Nels Cline”. Het is zo overdreven, dat het hilarisch wordt.
Soms wordt de wrangheid ook bedreven zonder een snuifje humor in de buurt; het snijdende ‘Tavoris Cloud’ is daar een voorbeeld van, met zinsneden als “At the age of 46, I’m still one fucked up little kid”. Dat soort uitspraken heeft op mij altijd een dubbele uitwerking; aan de ene kant klinkt het alsof de verteller gefrustreerd is door zijn eigen onbeholpen onvolwassenheid; aan de andere kant lijkt het me dan weer geweldig om op 46-jarige leeftijd nog steeds niet tot de jaren des onderscheids te zijn gekomen. Eeuwig een kind van 6 blijven, ik zou er meteen voor tekenen.
Ook heeft Kozelek het – net als op eerdere releases – over de dood van collega’s. De dood is sowieso één van de kernthema’s in het werk van Kozelek, net als het leven. Hier reflecteert hij onder andere op de dood van zijn kat (“I miss my afternoon naps; my kitty cat sleeping on my lap; she died August 2011; just got back from Norway, she slipped off to kitty heaven”), oude kompaan Tim Mooney (“Sometimes I still cannot believe Tim Mooney died at 53; he seemed much stronger, he was too young to up and leave”) en college-getergde ziel Jason Molina (“Last night I got word Jason Molina died; why does the world take the good ones away?”, in ‘Sometimes I Can’t Stop’).
Uitbundige wrangheid kan ook voorkomen, en durf ik hier zelfs bij de naam te noemen: ‘Don’t Ask About My Husband’. Welkome luchtigheid in een modderpoel vol ellende. De speelse riff en frisse drums enthousiasmeren en charmeren; een glimlach tekent zich op mijn gezicht, zij het met een spatje vreemde tristesse. Met zinnen als “And if it’s late and my breath is stinking; don’t criticize my smoking and my drinking. And if it’s late and my mind is spacing; don’t ask about the pills I’ve been taking” in het achterhoofd, weet ik na afloop van het nummer toch nooit meer waarom ik nu moest grijnzen. Vreemd.
Daarna het reeds genoemde en bejubelde ‘Brothers’. Een vreemde eend, zoals gezegd. Omdat de piano een hoofdrol vervult, en met zijn sobere weemoed (oké, daar zit Kozelek – tekst, zang, het totaalpakket, eigenlijk – ook wel voor iets tussen) weet dit instrument meer los te maken dan de 9 voorgaande nummer bij mekaar. En daarmee wil ik niet gezegd hebben dat dit zwak spul is, integendeel. Dit is gewoon één van de beste songs die ik dit jaar heb gehoord, ik ben eraan verknocht. De klik is er, zelden kom ik zo intens in een verhaal als dit relaas van Kozelek.
Mark Kozelek, de werkmier. Begin 2014 zou er alweer een nieuwe release met Sun Kil Moon op ons afkomen. Intussen brengt de man ook nog eens met regelmaat live-albums uit. En een coveralbum, vol eigen interpretaties van punkrock nummers, en ander soort onguur materiaal. En dan toch steeds weer kwaliteit afleveren. Hoedje af.
4 sterren