American Primitivism is een genre dat gekenmerkt wordt door veelal instrumentale nummers met complexe tokkelpatronen, en door het feit dat ik er nog nooit van had gehoord totdat ik
in dit topic tegelijkertijd twee tips binnen het genre opgediend kreeg. Tokkelwerk en ik zijn in principe een match made in heaven: urenlang een bepaald tokkeltje uitvogelend bedacht ik me eens dat tokkelpatronen me altijd doen denken aan Arabisch weefwerk, waarin het aanhoudend herhalen van één kleur voor complexe patronen zorgt die grenzeloos veel mooier zijn dan de som der delen. Nou goed, als we deze vergelijking aanhouden is Sunshrine wel een wandtapijt dat is gemaakt door de meest ambachtelijke der wevers, want de patronen die Blackshaw hier uit zijn twaalfsnarige gitaar tovert zijn dermate ingewikkeld dat je er een algoritme op los zou moeten laten om ze compleet te begrijpen.
Het album begint met twee minuten aan serene windgongen, een geluid waar ik geen genoeg kan krijgen sinds Adrianne Lenkers Instrumentals, en volgt dit aanvankelijk op met wat even sereen neergelegde akkoorden. Al snel barst het echter los in furieus getokkelde variaties op één akkoord (volgens mij letterlijk majeur-mineur-majeur-mineur, en dat vier minuten lang - en ook nog eens interessant!). Daarna schudt Blackshaw Indiaas aandoende melodieën uit zijn mouw, voegen zich een accordeon en xylofoon bij het gezelschap, om te ontaarden in een Indiaas tokkelinferno die na wederom wat windgongs in een heuse drone transformeert. Het meditatieve dat toegedicht wordt aan dit genre herken ik dus niet helemaal - het is best wel fucking intens eigenlijk!
Gelukkig dat het ook gewoon heel erg mooi is. Ik heb regelmatig kippenvel gekregen van hoe Blackshaw vlak voor de dertiende minuut overschakelt van een furieus kolkende virtuoze notenstroom naar een veel tragere, klaaglijk klinkende melodie, die dan bijna onopgemerkt overgaat naar een majeur, waar precies dán de xylofoon invalt.. Het getuigt allemaal van een groot talent van het combineren van virtuositeit met emotie, en dat is even onmisbaar als bewonderingswaardig in het virtuoze "genre". Bovendien ben ik erg onder de indruk van hoe Blackshaw met relatief weinig muzikale middelen het muziekstuk weet op te delen in stukken met variërende emotionele intensiteit. Als ik dan toch een reden moet bedenken voor waarom ik nog geen James Blackshaw-poster op mijn slaapkamer heb opgehangen, is het echter dat wat denk ik de climax van het nummer zou moeten vormen, namelijk het luidste gedeelte vlak voordat de windgongs voor de tweede keer de overhand nemen, eigenlijk het minst grijpende deel van het nummer is. Blackshaw trekt hier alles uit de kast, maar op melodisch vlak beklijft er net wat te weinig om het als een echte ontlading te laten voelen. Bovendien is het erop volgende
Skylark Herald's Dawn aardig, maar een beetje alsof je na een achtgangenmenu in een sterrenrestaurant nog even een broodje hagelslag eet. Het feit dat ik op dit punt in m'n verhaal pas besef dat ik het moest noemen zegt wat dat betreft genoeg.
Desalniettemin een nogal memorabele plaat, die ik waarschijnlijk normaal gesproken niet zo snel had ontdekt ware het niet voor
niels94. Bedankt, Niels!