Daar is dan de eerste écht goede plaat van Lee Morgan als bandleider, hier nog steeds krap meerderjarig. Het moge de jazzliefhebber vergeven worden als hij het niet direct hoort, want in deze periode waren sterke hardbop-platen niet zeldzaam, en de b-kant is hier toch wel duidelijk de sterkste.
Met zulke eigentijdse zwaargewichten als Horace Silver, Paul Chambers, en de wellicht ondergewaardeerde Hank Mobley waagt Morgan zich hier aan zes composities van Jazz Messengers-saxofonist Benny Golson, en ene Owen Marshall. En als je denkt dat het moeilijk is om informatie te vinden over die Marshall, moet je eens proberen om de naam van de altsaxofonist van deze plaat te googlen zonder bij een countryzanger uit te komen. Ergens wel geruststellend, dat er zelfs in 2020 nog dingen zijn die zich lastig laten nazoeken.
Hoe dan ook, prima verzameling hardbop-opnames. Vanaf het moment dat 'Slightly Hep' de tweede helft opstart, wordt het zelfs uitstekend. Met als uitblinker Morgan zelf, die hier bewijst meer te zijn dan een kundig vertolker van blues, gospel of bop: op deze plaat klinkt sterker dan tevoren zijn eigen stem, en horen we een voorbode van de grote dingen die hij nog zou volbrengen, in de vijftien jaar die hij nog had voor zijn noodlottige dood.