Altijd een interessant figuur gevonden die typerende teen emo angst op een creatieve manier verwerkt in zijn muziek. Beetje hiphop's Kurt Cobain (kijk maar naar de trouwe fanbase), maar dan een stuk minder consistent en met wat scherpere kantjes. Naast uitstekende tracks bevatten al zijn voorgaande platen namelijk ook een aantal vervelend infantiele momenten (die hele OFWGKTA crew kan mij op Earl na ook niet bekoren). Zelfde geldt voor zijn media optredens; ik begrijp natuurlijk heel goed dat hij hiermee de media bespeelt en een soort personage opvoert, maar dat maakt dat personage niet minder vervelend. Kurt kwam dikwijls ietwat melodramatisch over en leek weleens tegenstrijdig te willen zijn om maar tegenstrijdig te kunnen zijn, maar Tyler komt vaak over als het type persoon dat denkt rebels te zijn door een prullenbak om te schoppen, rare koppen voor een camera te trekken en dagelijks een sixpack Red Bull achterover te slaan.
Na de wat serieuzere toon en wat betere instrumentatie op Wolf ten opzichte van de eerste twee platen uit die trilogie, hoopte ik op een begin van een wat meer volwassen periode en dat hij het kinderlijke een beetje achter zich zou laten, zoals Earl Sweatshirt en Frank Ocean eerder deden. Talent heeft hij zeker, en ergens denk ik ook dat er mogelijk een meesterwerkje in het verschiet ligt mits hij zich meer concentreert op het maken van tracks als Yonkers ten opzichte van tracks als Bitch Suck Dick, die gericht lijken te zijn op de YOLO generatie.
Met deze plaat lijkt hij een groot risico te nemen door een andere richting op te gaan en tevens zelf voor de productie te zorgen. Het resultaat is helaas, om het maar zacht uit te drukken, niet best. Cherry Bomb is een cocktail van Death Grips (vooral Jenny Death), N*E*R*D en soul, maar helaas ontbreken van deze inspiratiebronnen vrijwel alle sterktepunten. De instrumentatie is soms aardig met wat goede concepten hier en daar, maar is over het algemeen zwakker dan ooit en belachelijk slecht afgemixt. De vocalen staan véél te zacht en zijn vaak verscholen achter een afgrijselijke digitale noise-muur, vaak tot het punt dat zelfs wanneer je er met jouw volledige aandacht naar luistert het amper te verstaan is. Er is niets mis met noise gebruiken in een mix, en vaker dan niet voegt het ook wat toe aan muziek, maar de muziek verwringen tot het punt dat er amper een beat of een vorm van muzikaliteit meer in terug valt te herkennen is natuurlijk niet de bedoeling. Met name de titeltrack is hier een schoolvoorbeeld van. De noise is ook nergens echt hard (komt amper in de buurt van Death Grips bijvoorbeeld), maar is vooral veel te aanwezig. De soul-tracks tussendoor zijn gelukkig een stuk beter te pruimen, al matchen deze twee stijlen totaal niet met elkaar waardoor het soms lijkt alsof je per ongeluk een andere plaat hebt opgezet. Het komt dus over alsof Tyler zowel geen industrial hiphopplaat als een soulvolle hiphop durfde te maken. Maak dan gewoon een plaat met soulelementen en/of een plaat met noise-elementen, in plaats van deze twee wild verschillende stijlen zo krampachtig met elkaar te combineren.
Tekstueel is het meestal ook niet al te best, en ook de tiener rebellie is meer dan ooit aanwezig. Zo wijdt hij op de opener bijna een heel vers toe aan hoe vervelend hij het vindt dat hij in sommige situaties geen pet mag dragen, en moet hij ons constant eraan herinneren hoe non-conformistisch hij wel niet is. Natuurlijk doet hij dit wederom expres om de draak met ons te steken, maar dat maakt zijn shtick alleen maar kinderlijk en flauw. Na vier releases heb ik dat wel gezien en is het inmiddels overduidelijk dat hij wél serieus wilt worden genomen als artiest, maar daar eigenlijk te bang en onzeker voor is en daar op deze manier voor probeert de compenseren. Hij werkt zichzelf er alleen maar mee tegen, en dat is erg zonde.
Na dit album moet ik grootse verhalen horen om Tyler nog een kans te geven. Als dit zijn nieuwe stijl is in plaats van een experimentje, en hij wilt zelf zijn muziek blijven produceren, moet hij nog heel goed gaan luisteren naar artiesten als dälek, Death Grips, clipping en Kanye West om te horen hoe je wel industriële noise mixt met hiphop. Tof dat hij eens iets anders probeert (al is het gewoon de trend volgen), maar hij kan er in het vervolg beter écht voor gaan of het bij zijn leest moeten houden.