De A- en B-kantjes van de drie singles die de toen nog praktisch onbekende David Bowie vanaf eind 1965 voor het Pye-label mocht opnemen. Zelf heb ik de CD met bovenstaande no-budget-hoes, maar wie deze nummers op Spotify zoekt vindt ze op de compilatie I dig everything: the 1966 Pye singles met een iets prestigieuzer uiterlijk, maar met dezelfde zes nummers in dezelfde rare ordening, want de A- en B-kantjes staan niet bij elkaar en de volgorde is ook niet bepaald chronologisch. Het gaat hier namelijk om:
1 Can't help thinking about me / And I say to myself uit januari 1966 (begeleid door Bowie's toenmalige begeleidingsband The Lower Third),
2 Do anything you say / Good morning girl uit april 1966 (met The Buzz, de band die later ook zou spelen op Bowie's eerste elpee uit 1967, de Laughing gnome-periode dus) en
3 I dig everything / I'm not losing sleep uit augustus 1966 (met onbekende muzikanten), alle zes nummers geschreven door Bowie zelf en geproduceerd door Tony Hatch, een songschrijver en producer die toentertijd veel succes had met Petula Clark.
Geen van deze singles kwam ook maar in de búúrt van de hitparade, op zich niet zo opmerkelijk gezien het feit dat we hier praten over de gouden jaren van de popsingles, met alleen al vanuit Engeland concurrentie van de Beatles, de Stones, de Kinks, de Hollies, de Who, de Small Faces, Manfred Mann, Dusty Spingfield en de Spencer Davis Group, en dan heb ik het nog niet eens gehad over wat er vanuit Amerika allemaal kwam overwaaien. Toch hadden deze singles best een klein beetje succes verdiend, want heel veel minder dan andere laagvliegers uit de hitparades van die tijd zijn ze ook weer niet, en hoewel alles stevig verankerd zit in de songstructuren en arrangementen van de popmuziek van die tijd zit er genoeg vaart en drive in de nummers om ze leuk te houden, zeker omdat Tony Hatch niet alleen de gitaar en het orgeltje maar ook de stevige bas genoeg ruimte in het geluidsbeeld geeft.
Wie hier Bowie in wil horen moet bedenken dat dit nóg minder met Ziggy Stardust en Station to station te maken heeft dan het al eerder genoemde werk uit 1967, maar wat opvalt is dat hij hier al uitstekend bij stem is en dat hij zich in zijn voordracht al helemaal de persoonlijkheden van de vertellers van de liedjes eigen heeft gemaakt: de onzekere jongen die thuis niet meer past van Can't help thinking about me, de man die niet onder de indruk is van maatschappelijk succes en het bijbehorende geld in I'm not losing sleep, en de opgejaagde man van Good morning girl ("So go tell the man that collects the dues / That you saw a guy without any shoes / Who would do the job if he was built that way").
En wat mij persoonlijk ook opvalt is dat ik alle drie de B-kantjes stuk voor stuk sterker en interessanter vind dan de drie A-kantjes, alsof Bowie hier al meer van zichzelf in zijn minder op de commercie gerichte nummers kwijt kon, maar dat is misschien te vergezocht. Uiteindelijk zijn dit gewoon prima sixties-popliedjes van een man die zijn eigen stem nog moest vinden, en als zodanig interessant voor liefhebbers zowel van sixties-pop als van David Bowie voordat hij David Bowie werd.