Decennia later dan ze verdienen, krijgt The Velvet Underground dan toch een gepast eerbetoon. Zij het nog steeds niet onder de vorm van massale verkoopcijfers, maar wel door een muzikale ode van de hand van het obscure Texaans bandje The Black Angels. Dit zevenkoppig gezelschap werd opgericht in 2004, baseerde zijn naam op The Velvet Undergrounds ‘The Black Angel’s Death Song’, en tracht ook op muzikaal gebied de fascinatie voor Lou Reed en de zijnen niet onder stoelen of banken te steken. Het rauwe geluid van debuut ‘Passover’ steekt fel af tegen de vele aalgladde releases die ons tegenwoordig overdonderen, en voert onze gedachten naar de duistere krochten waar de alternatieve muziek eens zijn bloeiperiode kende.
The Black Angels zijn niet in één bepaald vakje te plaatsen: bij momenten weerklinkt de broeierige gitaarsound die we enkele jaren terug hoorden op het debuut van The Black Rebel Motorcycle Club en de zwaarmoedigheid van de new wave is evenmin veraf. Tot zover geen reden tot euforie dus. Maar reeds na enkele beluisteringen, want we hebben te maken met een rasechte groeiplaat, oefende het geheel een dusdanig groot bezwerend effect op ons uit, dat we ‘Passover’ zonder dralen bij de meest verslavende albums van de laatste jaren durven plaatsen. De ruwheid wordt in elke song doorgetrokken, zorgt voor een sterke, coherente plaat, en stelt in één vlotte beweging ook de al te gelikte sound van Franz Ferdinand en co. aan de kaak. Mede vanwege die primitieve aanpak leent de plaat zich het best tot een nachtelijke luisterbeurt, met uw volle aandacht op de verwekte geluidslandschappen, die u ongetwijfeld zullen opzadelen met een knoert van een onveiligheidsgevoel.
‘Passover’ grijpt je ogenblikkelijk bij het nekvel en lost zijn ijzeren greep niet, al van de eerste tonen van het, aan The Doors schatplichtige, ‘Young Man Dead’, dat de draad oppikt waar Jim Morisson hem liet vallen, tot het weergaloze ‘Call To Arms’. Geen minuut, geen seconde wordt de aandacht enige respijt gegeven. De songs variëren van fantastisch tot nooit minder dan uitstekend‚. ‘Sniper at the Gates of Heaven’ - zoek de Pink Floyd plaat - opent met gitaren die door merg en been snijden, en de kerkelijke gezangen doen de song ontaarden in een demonische sleper, die onder invloed van de ijzige stem van Alex Maas ontaardt in de totale Apocalyps. In ‘Black Grease’, in geen geval te verwarren met dé vetkuiven-film bij uitstek, worden er geen doekjes om gewonden: de essentie van de song ligt mooi vervat in het refrein, waarin de poëtische overpeinzingen tot “Kill Kill Kill Kill” beperkt blijven. De stelling dat de beste songs de eenvoudigste zijn, wordt met ‘Manipulation’, dat drijft op een repetitieve baslijn en enkele ijzersterke backing vocals, op een sublieme wijze kracht bijgezet. ‘Empire’ had niet misstaan op ‘Closer’ van Joy Division: new wave op zijn depressiefst, en op zijn best. Zo wordt de dreiging gaandeweg opdreven voor ‘Call To Arms’, hét absolute hoogtepunt van de plaat. Een song die door tromgeroffel naar een weergaloze climax wordt gestuwd.
The Black Angels slagen erin iets te doen wat de vele recent gehypte bandjes zelfs niet bij benadering kunnen: beklijven én bijblijven. De zoektocht naar Hoop en Geluk zal niet afgerond zijn met het kopen van ‘Passover’. Het is veeleer de dreiging die de rode draad vormt. Maar wij kunnen al weken niet meer zonder ons shot en de doseringen moeten steeds groter worden. Eenmaal ‘Passover’ door uw boxen is gepasseerd, geldt slechts het motto “There’s no way back” zoals het in ‘Sniper at te Gates of Heaven’ zo treffend wordt verwoord. Nadien rest slechts het gevoel van ontroering, voor het mogen aanhoren van zoveel schoonheid. Hoed u, The Black Angels zijn nedergedaald!
Digg*