Met: Lee Morgan (trompet); Sonny Clark (piano); Doug Watkins (bas); Art Taylor (drums)
Het is dat grappig bedoelde toespelingen op titels meestal niet werken in recensies, anders zou ik in de conclusie van deze kunnen vermelden dat het album inderdaad meer een snoeppot is dan een volwaardige maaltijd.
Ergens zou dat ook overdreven zijn, want Candy kan zich prima handhaven tussen de stroom drieënhalf- tot viersterrenplaten die Morgen in deze tijd uitbracht. Nog gedeeltelijk opgenomen in 1957, was het alweer de vierde soloplaat in een jaar tijd van het wonderkind, en dat in een jaar waarin hij ook meespeelde op, onder andere, Blue Train, Birks Works, en A Blowing Session.
Het is logisch dat, met zo’n tempo, niet elke plaat de jazzgeschiedenis compleet op zijn kop zette. Op Candy wordt gekozen voor een selectie van degelijke standards, zonder eigen composities. De mannen die Morgan vergezellen op deze opnames zijn op hun beurt stuk voor stuk legendes uit de jazz van de jaren vijftig, maar geen stilisten die de meer avontuurlijke luisteraar van zijn stoel blazen. Morgan zelf ontwikkelt zich steeds meer tot misschien wel de best trompettist van zijn generatie, maar ten opzichte van zijn vorige studiosessies is het verschil in stijl miniem.
Wat overblijft is een plaat die vooral lekker en niet irritant is, behalve dan dat aanhoudende piepje in de openingstrack (waarschijnlijk een slecht gesmeerd onderdeel van het drumstel?). Dat is dan wel een engineering-blunder die Blue Note onwaardig is, en een beetje respectloos naar de platenkopers om dat niet gewoon opnieuw op te nemen. Voor straf, en omdat er gewoon weinig gebeurt dat me dit vaak uit de kast zou doen trekken, gaan we een keer een halfje lager zitten. 3*