Ik heb deze cd nu 2 weken in mijn cd-speler steken, hoog tijd voor een recensie:
"These days tell me to go it alone" is de openingszin van ‘The soft machine’. Meteen een perfecte typering van het brein achter Ozark Henry: Piet Goddaer. De man doet zowat alles zelf: hij schrijft de muziek en de teksten en verzorgt ook nog eens de productie. Volgens critici wijst dit erop dat Goddaer denkt alles beter zelf te kunnen, maar Goddaer zelf weet beter: het gaat om zijn plaat, zijn muzikale fantasieën. Ik vind het alvast een bewijs van grote klasse, zeker als het een sterke plaat oplevert zoals ‘The soft machine’.
Toegegeven, spectaculaire veranderingen t.o.v. ‘The sailor not the sea’ zijn er niet. Goddaer heeft het geluid dat hij op zijn voorganger heeft bereikt verder uitgediept, geperfectioneerd. Dat geeft Goddaer ook zelf toe in alle interviews. Met ‘The sailor not the sea’ was hij het dichtst ooit bij zijn muzikale fantasie gekomen. Alleen vond hij dat sommige nummers nog wat stroef, wat onnatuurlijk klonken. Dat euvel wou hij wegwerken op ‘The soft machine’.
En dat levert dan een heel zuivere popplaat op die volstaat met perfect afgewerkte juweeltjes.
Waarover die juweeltjes zoal gaan? Vooral over de liefde, de drijfveer van ons bestaan. Zo gaat ‘Christine’ over een vroegere vakantieliefde (“we were young, conspicuously young … I absorb your colour life”), vertelt ‘Splinter’ hoe een gebrek aan liefde je kapot kan maken (“I was not to trace you … if only you were still alive”) en handelt ‘Cincinnati’ over een oude pokerrelatie die zich weer lijkt te herhalen (“we should’ve told each other … we’re older now, but I don’t think we’ve changed”).
Goddaer kijkt ook opvallend vaak achterom op ‘The soft machine’. Een voorbeeld hiervan is het prachtige ‘Weekenders’ over de oude raves in Engeland en hun boodschap van “live life at full speed”. “Het voelde toen aan alsof het zo altijd zou zijn, maar kijk wat er nu nog van overblijft…”, zegt Goddaer zelf. (“I thought we had control and got it straight … I still hear you call – but it’s me I end up facing”). Ook ‘Jailbird’ (wat een prachtige titelsong!) kijkt achterom en vergelijkt met het heden om vervolgens vast te stellen dat vrijheid altijd een utopie zal blijven (“I’m stigmatized, I want closure, I want faith and a start once again”). Nog meer bitterheid in ‘Play politics’ over mensen die pretenderen zus of zo te zijn, maar schijn bedriegt… (“O man it’s appalling your calling’s a lie”). Gelukkig weet Goddaer ons in ‘Morpheus’ te vertellen hoe te vluchten uit die vreselijke wereld: gewoon wegdromen en als het eventjes kan nog het liefst in de richting die we zelf willen (of wat dacht u van deze goddelijke strofe: “the sleep of the just is not opholding, whatever design for live we led, I’m always you as you are with me, at every hour in any bed”). Wegdromen kan ook in ‘Le temps qui reste’, een wonderschoon nummer over het begin van de laatste reis: alles ligt nog open, maar niet voor lang meer… (“all is starting here and all is making plans and all is making out unafraid, much to my surprise sky ain’t coming down, with every dream you mount we are safe”).
Piet Goddaer heeft ook de soundtrack gemaakt voor de film ‘Crusade in jeans’ die binnenkort uitkomt en het titelnummer daarvan ‘We were never alone’ staat in een andere versie ook op ‘The soft machine’. Vreemd op het eerste gezicht, maar het nummer past wonderwel in de melancholische, maar hoopvolle sfeer van het album (“we have patience, loads … not a word from home … we move flared by all we heard and saw …. we were never alone”). Want daar blijft Piet Goddaer toch een meester in: het creëren van een aparte sfeer, een hele plaat lang. Terwijl ‘The sailor not the sea’ eerder donker van aard is, ademt ‘The soft machine’ meer kleur, meer licht uit. Goddaer beschikt natuurlijk over fantastische muzikanten om zijn muzikale fantasieën tot uitvoer te brengen. Zo horen we op bijna elk nummer, en nog het duidelijkst op het instrumentaaltje ‘Echo as a metaphor’ de piano, de sferische synthesizer, de genuanceerd echoënde gitaarpartijen, de ingenieus verzonnen baspartijen en vooral die prachtige cello van Audrey Riley. Voor wie dit prachtige instrument nog meer tot zijn recht wil horen komen, moet zeker de ‘limited edition’ kopen. Daarbij vind je nog een 2de cd met 5 instrumentale meesterwerkjes, allemaal geschreven in functie van de cello van Audrey Riley. In het booklet verklapt Piet Goddaer dat deze nummers misschien wel het begin zijn van een nieuwe uitdaging voor de toekomst. Dat belooft alvast!
Critici klagen erover dat Piet Goddaer originaliteit ontbeert en dat hij een toegankelijke plaat gemaakt heeft met de bedoeling zoveel mogelijk te verkopen. Twee keer grondig fout, denk ik dan. Ten eerste is de muziek die Goddaer met Ozark Henry voortbrengt zéér origineel. Ga maar eens na hoe moeilijk het blijft om Ozark Henry te vergelijken met anderen. Dat levert dan namen op die gaan van Bob Marley over Sting tot Coldplay. Toch behoorlijk uiteenlopend? "Een flauwe Coldplaykloon" las ik ergens over Ozark Henry: waar heeft die mens het over? Enkel ‘At sea’ (uit ‘The sailor not the sea’) en ‘These days’ doen vaagweg denken aan Coldplay, maar wat nummers als ‘Splinter’ of ‘Jailbird’ te maken met Coldplay blijft mij een raadsel. Ten tweede is Goddaer iemand die zich echt niets aantrekt van verkoopscijfers, laat staan dat hij bewust een plaat zou maken enkel en alleen om veel winst te maken. Goddaer maakt muziek voor zichzelf, als een soort uitlaatklep, net zoals andere mensen gaan sporten of een boek lezen. Het klopt dat deze plaat toegankelijker klinkt dan zijn vorig materiaal, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook toegankelijker is! De sfeer die Ozark Henry op ‘The soft machine’ creëert is, zoals reeds eerder gezegd, kleurrijk en licht. Maar voor wie de moeite doet om écht te luisteren naar deze plaat, wachtten er nog elke dag verrassingen…