Bij het aanzien van deze (wat mij betreft zeer fraaie) hoes dacht ik een ander type plaat te gaan horen dan dat het uiteindelijk is geworden. De hoes is compleet in de stijl van de in die tijd populaire jazzrock/fusion albums vol Latijnse invloeden en je zou menen dat McLean en Blue Note achter de meute aanliepen. Geheel vreemd zou dat ook niet zijn. McLean werd immers met ieder verstrijkend jaar ietwat abstracter en experimenteler totdat alleen in z'n meest algemeen nog te spreken was van hard bop; het genre waarmee hij zodanig werd geassocieerd.
De muziek is echter allesbehalve abstract of experimenteel; van free jazz zeker geen sprake en fusion is al helemaal ver buiten de deur gehouden. Dit betreft typische onvervalste swingende hard bop zoals alleen Jackie McLean dat kan spelen met zijn herkenbare furieuze saxofoonsnerpen. Vooral de titeltrack is daar een mooi voorbeeld van, met Jack DeJohnette die de compositie met zijn energieke enthousiaste spel tot grotere hoogten voortstuwt. Gemoduleerde akkoordenschema's en McLean (en een jonge Woody Shaw, die ook het sterke ''Boo Ann's Grand'' aflevert) die daar driftig overheen soleert. Daarmee is de cirkel met Demon's Dance ook wel een beetje rond. Het betreft namelijk McLean's (toenmalig) laatste opname voor Blue Note. Een einde aan een legendarische reeks klassiekers. Een reeks welke begon met door Bud Powell geïnspireerde bebop, op Davis en Coltrane gebaseerde modaliteit en voorzichtige eerste pasjes in de hard bop; een reeks welke later regelrechte hard bop en post bop klassiekers voortbracht; een reeks die vervolgens eindigt met McLean's terugkeer naar zijn bop roots. Passend laatste album voor Blue Note.