Hier is 'ie dan (er komt altijde en recensie hoor, korenbloem

):
Alle gekheid op een stokje…en mag muziek nu nog ergens over gaan ook? Waar ik bij
‘Episteme’ het evenwicht tussen compositie en improvisatie al moeilijk vond, wordt dat hier nog moeilijker. Het geheel lijkt spontaan gemusiceerd, maar er wordt zodanig weinig naar elkaar geluisterd en tegelijk zo hard geprobeerd naar bepaalde clusters toe te werken dat je je gaat afvragen hoe een dergelijke experiment eigenlijk op het moment zelf kan ontstaan.
We mogen ons niet blindstaren op het enigszins verwante
‘Episteme’, maar ik trek de vergelijking toch even door: waar Anthony Davis op een repetitief fundament een soort trance trachtte op te wekken, waarna dit fundament te larderen met min of meer harmonische improvisaties, haalt George E. Lewis die grondslag uit zijn muziek.
Daardoor ontstaat heel bewust een soort flarden-gedicht, “poëzie” die in het eerste deel nog uitmondt in een mooie saxsolo. Doorheen het tweede deel wordt het echter volstrekt onmogelijk om de aandacht erbij te houden, en na half ingedut te zijn eindigt het album met een absurde “dialoog” tussen Lewis en Ewart (of is het Parran?) – een moment dat symbool staat voor alle kleine ‘miniaturen’ die
‘Chicago Slow Dance’ interessant zouden moeten maken.
Niet bevorderlijk voor het geheel is bovendien de afgrijselijke geluidskwaliteit (of ligt dat aan mijn opname?). In een sessie waarbij de “breekbare geluiden” van tel zijn hoor je het doffe geruis van een plaat te vermijden…maar het is helaas niet anders.
Om kort te gaan: niet door en door lelijk, maar gewoon té vergezocht en bijgevolg té oninteressant om mij als jazz-fan of als modern-klassiek estheet te boeien.