Om een of andere reden lukt het me niet echt om ‘in’ de studioplaten van Eric Dolphy als bandleider te komen. Dat is vreemd, omdat hij eigenlijk één van mijn favoriete muzikanten is. Sommige van zijn solo’s op platen van Mingus en Coltrane frituren bijna mijn brein als ik ernaar luister, en dat bedoel ik als compliment. Ook zijn live-opnames in de Five Spot, met Booker Little en Mal Waldron, zijn me erg dierbaar. Maar toch…
Deze heb ik het afgelopen jaar, denk ik, het vaakst beluisterd. Het album heeft zeker pluspunten. Allereerst speelt er, in tegenstelling tot de meeste van zijn bekendere platen, geen vibrafonist op mee. Ik hou niet van vibrafoon. Out There is sowieso interessant gearrangeerd, met Dolphy die wordt ondersteund door prima mensen op bas, cello en drums. En uitdaging is er genoeg: Dolphy is een van de weinig muzikanten op wie je echt het – vaak te makkelijk gebruikte- etiket ‘vernieuwend’ moet plakken.
In technisch en artistiek opzicht een geslaagde jazzplaat dus, en het enige dat ik daar tegenin kan brengen is dat ik er domweg nog niets op heb gevonden dat ik voor mijn plezier zou opzetten. Er hangt een heel raar, schel, koel sfeertje over deze muziek, dat ik eerlijk gezegd niet zo goed trek. Wellicht moet het kwartje nog vallen natuurlijk, maar ik heb deze plaat een stuk vaker de kans gegeven dan veel andere klassiekers uit het genre. Dus dan blijft de vraag over waarom ik nog 3,5* overheb voor een album dat ik nog nooit voor mijn plezier gedraaid heb.
Mijn enige antwoord daarop is een soort verbijsterde, maar oprechte bewondering voor de unieke belevingswereld van Eric Dolphy (en bij deze plaat moeten we zeker ook Ron Carter noemen). Maar behalve een voornemen om de plaat over een tijdje nog een keer een kans te geven, kan ik er niet veel van maken momenteel.