Een iets andere insteek dan op het debuutalbum, met in plaats van louter korte tot middellange nummers (3 à 5 minuten) nu ook twee zeer korte nummers (eigenlijk meer schetsen die niet echt de moeite waard zijn) en twee lange "volbloed" progressieve (of –zoals we toen zeiden– symfonische) nummers. En van die twee is
Munich van een ongekende schoonheid, met in het eerste gedeelte een prachtige melancholische zangmelodie met ingetogen orkestbegeleiding, daarna een ijzersterk instrumentaal stuk gevolgd door een terugkeer naar de melancholie en een spectaculair slot, echt een fantastisch nummer. Ook dat andere lange nummer
Let them come when they will begint geweldig, maar de bezwering à la David Eugene Edwards die Angus Cullen in het lange tussenstuk probeert op te roepen gaat hem niet bijzonder goed af, hoewel het slot van het nummer (met die wandelende bas) wel weer van hoog niveau is.
Naast die twee nummers (die toch de belangrijkste blikvangers van dit album vormen) wil ik toch ook het dromerige
Summer weekend of a lifetime noemen, met z'n zomerse sfeer die me doet denken aan de vroege Pink Floyd ten tijde van
Julia dream en
Remember a day. Omdat ook de twee andere middellange nummers
Asylum en
Lisa van hoog niveau zijn zou ik kunnen twijfelen tussen 4 en 4½ ster, maar een nummer als
Munich kom ik toch wel zó weinig tegen dat het de weegschaal voor het album als geheel naar de positieve kant doet doorslaan. Ook los van die waardering in sterren is dit echter een prachtig album; spijtig dat deze band nooit verder is gekomen dat de twee platen die we nu hebben. (Met wederom dank aan
Aproxis.)