Maar weer eens verder met de snelste marathon op Musicmeter! Wat dat betreft blijkt zowel voor mij als voor de band het vierde album een lastige. Er was altijd iets in het album wat mij een beetje tegen stond, maar wat ik niet kon plaatsen. Een podcast van de zanger een tijdje geleden over de opnames van dit album brachten echter verheldering. Het album blijkt digitaal opgenomen te zijn, een eerste (en volgens mij ook laatste) keer voor Primordial. Hierdoor klinkt het allemaal wat te klinisch en mechanisch, helemaal vergeleken het organische geluid van de voorganger. De hele periode rondom dit album bleek sowieso een lastige te zijn met hun label welke langzaam ten onder aan het gaan was. Het staat allemaal ook beschreven in de liner notes van de zeer fraaie heruitgave van het album. Normaal ben ik niet zo van het wijzigen van o.a. Het artwork van een album, maar voor deze
schitterende nieuwe hoes maak ik graag een uitzondering.
Er zitten vergeleken Spirit The Earth Aflame wat meer black metal invloeden in. Niet dat Primordial geen lekker portie black metal kan spelen, vooral What Sleeps Within is een lekkere afwisselende klodder, maar daar ligt wat mij betreft toch niet echt hun kracht. Bij de opener klinkt me de blastbeats, in combinatie met de productie, toch net niet heel lekker. Ook het lange Fallen To Ruin loopt net niet lekker met die spoken word break in het midden. Het opzich fraaie folk-instrumentaaltje Sun First Rays en afsluiter Hosting of the Sidhe komen wat mij betreft niet veel verder dan twee leuke sfeersettingen. Niet slecht, maar heel veel voegt het ook niet direct toe.
De band is op hun sterkst in de nummers waarbij ze meer richting hun definitieve geluid gaan. Persoonlijke favoriete is Cast The Pyre. Het is direct een mooi voorbeeld van 1 van Primordial's geheime wapens: de sterk getimede wisselingen die midden in het nummer de sfeer compleet omgooien. De verandering zo rond de 5e minuut van het dreigende naar een heroïsch geluid is wat mij betreft het hoogtepunt van het album. Het andere hoogtepunt voor mij is het net zo heroïsche Sons of the Morrigan, niet voor niets al jaren een vaste waarde in de setlist. Op beide nummers zingt Averill al meer in de stijl die hij op de latere albums verder perfectioneert. Hij is er duidelijk nog niet, maar met de passie zit het zeker goed.
Het resulteert in een plaat die wel duidelijk een stapje terug is ten opzichte van de voorganger. De kwaliteit is uiteindelijk nog wel dermate hoog en als geheel klinkt het album toch weer heerlijk groots en gaaf dat ik naar boven afrond. 4*