Plaat die binnen de discografie van Evans te plaatsen is tussen zijn meer academische begindagen (o.a. met George Russell) en zijn echte doorbraak als jazzmuzikant met zijn rol op 'Kind of Blue' en zijn werk met Scott LaFaro en Paul Motian.
Zijn blauwe maandag in de band van Miles Davis, kort voor deze opnamen, was een belangrijke tussenstop. Hier ontmoette hij maatje Philly Joe Jones, drummer van dienst op Everybody Digs. De karakteristieke drive van Jones geeft veel energie aan de snellere nummers, die fijn swingen en redelijk toegankelijk zijn voor iedereen die een beetje openstaat voor dit soort jazz.
In combinatie met de meer ingetogen tracks, waar de invloed van componisten als Satie op Evans' werk te horen is, ontstaat een interessante maar soms wat incoherente plaat. De sfeer schiet zo alle kanten uit, dat ik het moeilijk vind om bij het album als geheel iets duidelijks te voelen.
Verder weinig te klagen, al zou ik beargumenteren dat Evans' stijl pas echt tot bloei kwam in de jaren daarna. En dan vooral toen bassist LaFaro hem, met zijn dominante stijl, de ruimte gaf om minder dan hier piano als lead-instrument te spelen en meer tussen voor- en achtergrond te dwarrelen in zijn eigen droomwereld. Die kenmerkende sprankeling is hier nog in ontwikkeling, maar alsnog blijft deze plaat na zestig jaar redelijk goed overeind.