8’Fantastic Star’ is het voorlaatste studioalbum van Marc Almond dat ik ruim na z’n verschijningsdatum aanschafte, vermoedelijk in het prinselijk jaar 1999. Na ’Open All Night’ was ik er altijd als de kippen bij om kakelverse Almond-voer te verslinden – een kostbare hobby gezien zijn productiviteit. ’Fantastic Star’ bevat enkele lekkere uptempo nummers en meer (glam-)rock dan al zijn voorgangers. De eerste samenwerking met Neal X mag dan wel al dateren van het album ’Tenement’, op ’Fantastic Star’ is Neal omnipresent. En dat is hij ook op vrijwel alle volgende platen en optredens, de Russische zijsprongen en de Soft Cell-reünies niet meegerekend. Correct me if I'm wrong. Persoonlijk feitje: Neal en zijn pluimvee-ensemble Sigue Sigue Sputnik heb ik in 2001 op Eurorock Neerpelt aan het werk gezien, een jaar na Almonds passage aldaar.
’Fantastic Star’ baadt in overheerlijke kitsch. Als camp het Engelse equivalent is, wordt Almond veelvuldig met die twijfelachtige kunstvorm geassocieerd. Dat geldt ook voor het werk van Pierre en Gilles, die wellicht geen andere beroemdheid vaker vereeuwigd hebben dan Almond. Ik denk dat de zanger sinds ’Tenement’ en ’Absinthe’ vrede heeft genomen met dat pejoratief. Op ’Fantastic Star’ lijkt hij het kitsch-predikaat zelfs te cultiveren. Sta me toe die stelling met enkele subjectieve interpretaties te onderbouwen.
De albumtitel alleen al verwijst toch minstens naar een falende has-been vedette die lijdt aan chronische zelfoverschatting. Ook al bevat het album heel wat hitpotentieel in de geest van 'Jacky' en 'Pearly', commerieel faalde het grandioos. Dat maakt de titel extra tongue-in-cheek. Meer in het oog springend is de maskerade waar Almond zich doorheen het hele CD-boekje en in videoclips mee bezigt. Dit lijkt me een over-the-top uitspatting waarmee de artiest zijn wil uitstraalt om vooral niet ernstig genomen te worden. 'The Idol' leent zich natuurlijk perfect voor verkleedpartijtjes gebaseerd op dode popsterren. Tekstueel betreft het geenszins een lofzang op tragisch omgekomen of aan lager wal geraakte artiesten. Maar Almond bezondigt zich hier ook niet aan oneerbiedig leedvermaak. In slechts twee zinnen per bezongen artiest balanceert hij daar mooi tussen. Als verbaal koorddansen toen een olympische discipline was, had het Verenigd Koninkrijk een kandidaat voor de gouden plak.
Nog meer zelfspot is te horen in 'Adored and Explored'. Ook hier lijkt Almond niet 100% te menen wat hij zingt zonder hierbij aan oprechtheid in te boeten. Al lijkt zijn bezorgdheid in 'Child Star' wel gemeend. Dit lied gaat – ten dele? – over een toen nog niet overleden superster uit 'The Idol'. In 2009 verwees Almond in een blog naar aanleiding van de dood van The King of Pop naar beide songs. Dat Almond ook live heel vaak teruggrijpt naar liedjes uit ’Fantastic Star’ is toch een teken dat hij dit artistiek niet als een mislukt album beschouwt. Al kan sidekick Neal ook een bepalende factor zijn. ’Fantastic Star’ lijkt hierdoor niet enkel voor mij een schuldig pleziertje.
Maar deze plaat markeert evenzeer een scharnierpunt in Almonds carrière. Al z’n volgend werk ademt artistieke onafhankelijkheid uit. Er wordt zelfs geen schuchtere poging ondernomen om de hitparade nog een laatste keer te bestormen. Die bevrijding straalt hij zeker live uit: Almond doet het voor zijn plezier – niet voor de eer of voor harde valuta – en voor de fans. Maar geen van die latere albums – reken daar gerust de twee Soft Cell-albums van dit millennium bij – vind ik spannender dan 'Fantastic - four and a halve - Star'. Marc Almond heeft hier samen met z’n commerciële ambities z’n stouter alter ego begraven. Kwestie van waardig ouder worden, denk ik. Geef ’em eens ongelijk.