Twee jaar na
Mask of Smiles bracht John Waite
Rover’s Return. Als altijd was ik benieuwd of daar opnieuw van die heerlijke meezingers op zouden staan, iets wat met de voorganger slechts éénmaal écht het geval was.
Aan de namenlijst te zien was EMI vastbesloten om deze missie te laten slagen. Opgenomen met een lange lijst sessiemuzikanten, grotendeels dezelfden als op zijn vorige platen, plus maar liefst zeventien technici, werd niets aan het toeval overgelaten.
Producers waren naast Waite en Frank Filipetti de succesvolle veelschrijver Desmond Child (de openingssong) en ene Rick Nowels (twee nummers op de B-zijde). Opgenomen in New York, zodat de zanger vanuit huis naar de studio kon forensen.
De elpee plukte ik uit de fonotheek in het dorp, waar kennelijk iemand werkte die het goed voorhad met de voormalige zanger van The Babys: elke soloplaat werd aangeschaft. De hoes deed denken aan
No Brakes van drie jaar eerder. Een zwart-wit foto van Waite die zijn haarlengte had teruggebracht tot hetgeen menig moeder kon waarderen. Op de binnenhoes echter ontwaarde ik Waite met lang haar en staartje, de buitenhoes had me voor de gek gehouden. Wat deed het ertoe? Ik wilde de single horen waarvan ik de clip op tv had gezien:
These Times are Hard for Lovers. Twee plaatkanten later wist ik dat de Engelsman zijn oude vorm had hervonden.
De A-zijde opent met die fenomenale single, een meeslepend statement over liefhebben tegen de klippen op. Het wordt gevolgd door het al even mooie
Act of Love met zijn hamerende pianobegeleiding. Mijn derde hoogtepunt op die dag in 1987 was
Wild One, met in het intro een toetsenpartij die me deed denken aan Dio’s
Rainbow in the Dark. De romantiek spatte weer uit de groef, de melodieën dwongen me regelmatig tot luid meezingen, dit alles badend in gevarieerde adult oriented rock.
B-kanten van elpees waren bij Waite (en vele anderen) vaak minder sterk. Hij opent sterk met
Don’t Lose Any Sleep. Het stevige
She’s the One vond ik fijn met zijn stuwende combinatie van scheurende gitaar, zwevende toetsen en de stem van Waite die wederom bruist van emotie.
Jaren later valt me bij herbeluistering op de A-kant
Encircled op. Hier draait het een keer niet om de melodie, maar om een gitaarriff, waarbij Waite de rauwe randen van zijn stem opzoekt. De afsluiter van de plaat is
Big Time for Love met een heerlijke Hammondsolo.
Waite schreef als vanouds het meeste zelf: op zeven van de negen nummers is hij (co-)componist. Tevens kom ik “grote namen” tegen als Desmond Child (
These Times,
hier de minidocu over hem van Top 2000 á Gogo), Diane Warren (
Don’t Lose) en zelfs Dan Hartman (de door keyboards gedragen ballade
Sometimes, hij scoorde zelf in 1980 een discohit met
Relight My Fire).
De plaat was een redelijk succes in de Verenigde Staten, maar werd niet de megaklapper waarop was gehoopt. In het buitenland wilde het qua hitparade ook niet lukken, zodat ook de albumverkoop achterbleef. Twee jaar later keerde Waite onverwacht terug als frontman van Bad English, waar het succes juist alle verwachtingen zou overtreffen.
Ik hoop komende week enkele nummers van
Rover's Return live mee te maken tijdens zijn tournee door de Lage Landen. Ongegeneerd meezingen!