De Britse journalist Bruce Mee heeft dezelfde muzikale voorkeur voor Ronnie James Dio als ik. Verschil is dat hij erin slaagde om muzikanten die met de legendarische zanger werkten te verzamelen voor project Sign of the Wolf, die gezamenlijk de muziek van de Zweedse gitarist Fredrik Folkare (ik ken hem van
Nordic Union) uit te voeren.
Welke musici dan? Wel, onder meer gitarist Doug Aldrich (Dio) drummer Vinny Appice (Black Sabbath, Dio, Heaven and Hell, Dio) en grootste verrassing is toetsenist Tony Carey (Rainbow).
Dat alles wist ik niet toen ik ging luisteren, nieuwsgierig gemaakt door
vielips enthousiasme. Het album opent met ijle klavieren die me onmiddellijk deden denken aan
Tarot Woman van Rainbow. Wat volgt is een sterk en uptempo nummer genaamd
The Last Unicorn. Het vervolg is er met het Dioaanse en nét iets snellere
Arbeit Macht Frei. Heb geen tekst kunnen vinden, maar ik mag hopen dat er enig begrip is van de historische schanddaad die achter die titel schuilgaat; al luisterend haal ik het er niet uit. Wel hoor ik dat de riff aan het werk van Vivian Campbell bij Dio doet denken. Zanger Andrew Freeman van Dio-tributegroep Last in Line zingt in die en navolgende nummers vooral op volle kracht.
Still Me is midtempo en bevat een mooie tekst over je unieke ik, met het slepende
Silent Killer is daar het vierde sterke nummer op rij en
Rainbows End heeft met de gitaarharmonieën meer weg van de Scorpions dan van de groepen waarin Dio zong.
Dat is een prima nummer, maar ik begin variatie te missen. Verschillen in dynamiek, hard-zacht, tempowisselingen in een nummer. Iets waar Ritchie Blackmore en Tony Iommi zo in schitterden. Het wordt me te power metal dat vaak aan hetzelfde euvel lijdt.
Dan mag Carey nog eens flonkeren in het intro van
Rage of Angels, waar die power metal vervolgens domineert. Het is nog altijd een stuk beter dan het felle
Murder at Midnight, dat bovendien inspiratieloos wordt weggedraaid. Ook
Bouncing Betty lijdt aan de weinige afwisseling in composities, met de dikke 7 minuten van
Sign of the Wolf wordt echter sterk afgesloten.
En toch raak ik steeds vanaf track nummer 5 steeds meer verzadigd, mede omdat Freeman bijna uitsluitend voor vol gas kiest. Het zit 'm in de composities, niet in zijn stem. Wat meer ruimte voor toetsen had ook gemogen, al is het smullen voor de fans van snel gitaarsoleren.
Misschien komt mijn reserve mede omdat er maar liefst twaalf muzikanten meedoen die allen hun plek behoeven. Het is me te veel van hetzelfde, soms bereik je immers meer met weglaten dan met volstoppen. Een dikke 7 is het resultaat.