Met No One Can Do It Better levert The D.O.C. een tijdloze klassieker af, die twintig jaar na haar oorspronkelijke release nog niets aan kracht heeft moeten inleveren. De producties uit de koker van de jonge Dr.Dre zijn stuk voor stuk om van te smullen en The D.O.C. heeft een flow waar niets, maar dan ook helemaal niets op aan te merken is.
Als tegengewicht aan de Eastcoast-grootheden, zoals Public Enemy en Run-D.M.C., die eind jaren ’80 de meeste dienst uitmaakten in de rapwereld verschenen enkele acts van de westkust van de Verenigde Staten. Deze staan veelal bekend om haar tekstueel geringe diepgang, verheerlijking van het gangsterleven en sterke producties. Als algemeen hoogtepunt van de controversiële Gangstarap stroom wordt vrijwel altijd N.W.A.’s Straight Outta Compton genoemd, een album dat zowel door de raps van Eazy-E, Ice Cube, Mc Ren en Dr.Dre als door Dr.Dre’s producties een wereldniveau bereikte. Eazy-E, de voorman van de groep, was de oprichter van het label Ruthless, waar N.W.A. en verwanten onder contract stonden. In hetzelfde jaar (1988) werd naast Straight Outta Compton ook het debuut van Eazy-E, Eazy-Duz-It een flink succes en dit is eigenlijk het enige album van een Ruthless -artiest dat tegenwoordig in één adem genoemd wordt met Straight Outta Compton. Onterecht, want een jaar na deze twee kaskrakers bracht Ruthless Records nog een klassieker voort, die helaas van een stuk minder status geniet.
The D.O.C. is de naam, die met zijn debuut No One Can Do It Better de titel zo goed als waarmaakt. Voordat N.W.A. doorbrak was The D.O.C. zelf lid van de groep, die hij vlak voor Straight Outta Compton verliet. Het was duidelijk dat dit zonder enige onenigheid gepaard ging, aangezien The D.O.C. nog wel op één nummer op Straight Outta Compton te horen is en onder contract bleef staan bij Ruthless records. Dat is dus ook het label waar hij zijn debuutalbum uitbracht, dat net zoals alle Ruthless-albums tot dan toe geheel door Dr.Dre geproduceerd is.
De aftrap van de plaat is gelijk weergaloos. Een funky, pakkend pianoloopje dat wordt ondersteund door enkele eenvoudige claps en kicks vormen de basis van de opener It’s Funky Enough, waar The D.O.C. zijn soepele rapkunsten laat horen. In zijn geheel vormt dit nummer een onwijs sterke opening van dit dertien nummers tellende album dat minder dan vijftig minuten bedraagt.
Inhoudelijk gaat het gedurende de hele plaat over van alles en nog wat, niets speciaals. Er worden nergens loodzware thema’s aangesneden, maar The D.O.C. staat zijn mannetje op tekstueel gebied. Daar worden weinig grenzen verlegd, maar dat gebeurt al ruimschoots op zowel productioneel als raptechnisch gebied. De flow van The D.O.C. is ronduit fantastisch, omdat hij het met weinig moeite volhoudt een geheel album te dragen. Zijn stem is niet heel bijzonder, zowel kwalitatief als qua originaliteit, maar hij rapt regels die op papier een stuk te lang lijken soepel aan elkaar, blijft altijd verstaanbaar en het belangrijkste van alles is nog dat hij het allemaal zo eenvoudig lijkt te vinden, wat een positief effect heeft voor het album. Daarbovenop komen de producties van Dre., die geen enkel moment op de muziek van zijn latere of eerdere werk lijken en die vooral uitblinken in afwisseling, tempo en originaliteit. Zo horen we na een paar nummers na de pianotonen van de opening de ongelofelijk hoge snelheid van Lend Me Ear, het beste voorbeeld van The D.O.C.’s unieke flow. Los bekeken misschien een redelijk eentonige track, maar wegens de grote productionele diversiteit wordt het nooit echt monotoon op het album. Na dit nummer galmt de vloeiende baslijn van Let The Bass Go door de geluidsinstallatie, die opgevolgd wordt door Beautiful But Deadly, een rap/rock-nummer zoals Run-D.M.C. er ook velen maakte. De robuuste gitaren die bij deze track de luisteraar ongetwijfeld overrompelen zijn experimenteel, maar net niet over de top. Zoals zoveel producties op de plaat. Het verschil tussen The D.O.C. en Run-D.M.C. is dat Run-D.M.C. talloze rapnummers met harde gitaren maakte, terwijl The D.O.C. er slechts eentje maakt, voor de afwisseling. Met deze afwisseling en originaliteit gaat het het gehele album door, wat het onmogelijk maakt alles op te sommen. Het enige nummer dat er nog werkelijk bovenuitspringt is het hoogtepunt van het hele album en tevens het laatste nummer: The Grand Finalé. Dit is een ongelofelijk goede samenwerking met heel N.W.A. (Yella zit achter de drums), waar de instrumenten (er is geen computer in het spel), het heerlijke tempo, de vele instrumenten en de flows van zowel The D.O.C. als alle N.W.A.-leden dit nummer tot een perfecte afsluiter van het album maken.
Er valt weinig te concluderen bij dit album. Dat het een klassieker is, waarbij elk nummer de moeite waard is, werd al duidelijk. Natuurlijk bevat No One Can Do It Better haar mindere nummers, zoals de titeltrack, maar het geheel is oorstrelend, aangezien de twee belangrijkste ingrediënten voor een perfect rapalbum overal aanwezig zijn: producties van hoge kwaliteit en een flow waar niets, maar dan ook helemaal niets op aan te merken is.