MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Muziek / Algemeen / Muziek Documentaires

zoeken in:
avatar
Ik kan niet zo snel een bestaande entry over muziekdocumentaires vinden, dus heb ik er even een nieuwe topic gemaakt om de documentaire Sisters with Transistors te bespreken.

Voordat ik iets over de documentaire zeg, geef ik kort een geschiedenisje van de elektronische muziek, waarbij ik ook elementen van de documentaire integreer, omdat de documentaire geen acht slaat op een bepaalde ontwikkeling die er naar mijn idee wel is en voor mij betekenisvol is. Ik ben opgegroeid in de jaren ’80 toen in de populaire muziek gitaarrock heel bewust en revolutionair werd vervangen door synthipop. Ik vond de synthesizer een vreselijk geluid voortbrengen: kil, klinisch, plastic, zielloos. Het paste bij het nieuwe materialisme zoals Madonna die bezong: “You know that we are living in a material world. And I am a material girl” maar ik miste de hartstocht van de rock and roll. Later ontdekte ik echter dat elektronische muziek al veel ouder was en voorheen een heel ander geluid en bedoeling had.

Modernisten hadden altijd al gedroomd over en gewerkt aan machines die autonoom muziek maken en omgekeerd aan muziek die het moderne, industriële en geëlektrificeerde leven verklankt (een bekend voorbeeld van dat laatste is Rhapsody in Blue uit 1924 van Gerschwin). Reeds in 1907 verscheen het invloedrijke essay Sketch of a New Esthetic of Music waarin Ferruccio Busoni de muziek van de toekomst beschreef en in 1913 het eveneens zeer invloedrijke L'arte dei Rumori (The Art of Noises) van de futurist Luigi Russolo. Beiden beschreven hun droom van elektronische muziek die niet alleen past bij het huidige machinale tijdperk waarin we aldoor zijn omringd door lawaai en machines maar die ook totaal vrij zal zijn – niet gebonden aan de klassieke noten of harmonieën zoals het gebruik van microtonaliteit dus tonen tussen de ons bekende noten – en die het volstrekt ongehoorde hoorbaar zal maken, resulterend in een geheel nieuwe esthetiek. In die tijd werden al de eerste apparaten gebouwd die elektronische geluiden produceerden – radiocommunicatie berust op een vergelijkbare techniek zodat de opkomst van elektronische oscillatoren die geluidssignalen produceren (in de basis sinusgolven, blokgolven, pulsen en ‘white noise’) en de transistorradio min of meer gelijk op gaan – en zeker sinds de jaren ’40 en ’50 stortte elke zichzelf respecterende componist zich op de nieuwe mogelijkheden van elektronisch voortgebrachte en/of gemanipuleerde geluiden. Ter onderscheid van musique concrète, die met name natuurlijke geluiden elektronisch opneemt (tape recorder) en manipuleert door te versnellen, te vertragen en te verknippen, resulterend in geluidscollages en de kunst van de montage, en in de jaren ’40 door Pierre Schaeffer was ontwikkeld, ontwikkelt Karlheinz Stockhausen in de jaren ’50 elektronische Musik die (grotendeels) puur elektronisch is gegenereerd (zijn Gesang der Jünglinge uit 1955-56 gebruikt microtonaliteit en vermengt sinusgolven, pulsen en gefilterd white noise met de musique concrète van een gemanipuleerde jongensstem). In 1958 presenteerde Philips een multimedashow om de technologische innovatie te tonen bij wijze van “een nieuwe kunst met schier onbegrensde mogelijkheden” waarin Edgar Varèse’s Poème électronique uit 425 luidsprekers klonk.

Nog afgezien van de magie dat elektronische circuits autonoom geluidssignalen kunnen voortbrengen, klinkt voor mij die prille elektronische muziek (of ‘noise’) nog net zo opwindend, fantastisch, unheimisch en onwerelds als Busoni en Russolo het hadden bedoeld; de psychedelische revolutie van de jaren ’50 en ’60 heeft in wezen dezelfde magie van het openen van een nieuwe wereld voorbij het voorstelbare. Het is avantgarde pur sang; het werd ook de passende muzikale expressie bij het surrealisme dat na WO II bloeide en dat niets minder dan een totale revolutie – een geheel nieuwe wereld en geheel nieuwe ervaring – nastreefde. Met muziek zoals wij die kennen heeft het dan ook niets meer te maken of zoals in de documentaire wordt gezegd: je hebt niet te maken met noten of harmonieën maar met pure energie. Omdat het tegelijk zo machinaal klinkt en omdat deze elektronische geluiden in de natuurlijke wereld niet worden gehoord, klinkt het uiterst futuristisch en zelfs anno nu als pure science fiction.

De psychedelische revolutie stuwde het experiment met elektronische muziek als haar auditieve dimensie op waarbij de stilte van de Koude Oorlog en de dreiging van de atoombom een urgentie gaf aan pogingen tot openheid en nieuwe vormen van dialoog. Maar ze droeg ook bij aan de omslag van modernisme naar postmodernisme: eigen aan elektronische muziek is immers dat de elektronische circuits zelf geluiden produceren en dat die geluiden een ‘noise’ vormen die het gewone publiek niet als muziek opvat zodat de kunst ervan niet zozeer bij de maker ligt maar bij de luisteraar die aandachtig moet luisteren en zich moet onderdompelen in de nieuwe geluidservaring. Waar de musique concrète de nadruk al verschoof van het scheppen naar het slechts monteren van het aangetroffene, verschoof de elektronische muziek de aandacht nog verder naar het luisteren naar de innerlijke structuur van een toon om daar een nieuwe ruimte te ontdekken en je geest te verruimen (“deep listening”). De populariteit ervan in de jaren ’60 bracht het niet alleen in de populaire muziek (pop of rock zoals The Beatles en Frank Zappa die ermee gingen experimenteren en waarbij ook veelvuldig de wat zweverig klinkende Mellotron als voorloper van de sampler werd gebruikt) maar gaf het ook een gerichtheid op meditatie en trance waardoor het een bewust monotoon, repeterend (met gebruik van loops) dus minimalistisch karakter kreeg waarbij bv. een geluidsgolf langzaam verandert (met uiteindelijk de rave/trance/techno-muziek van de jaren ’80 door er even monotone beats onder te zetten om je in trance te kunnen dansen).

Al vanaf het begin was het populaire gebruik van elektronica, zoals de Theremin – genoemd naar z’n uitvinder Leon Theremin – uit 1920, echter om er traditionele muziek mee te spelen terwijl serieuze componisten experimenteerden met de nieuwe mogelijkheden ervan hetgeen veel interessanter is. Ik vind het daarom betreurenswaardig dat dat experiment lijkt te stoppen in de jaren ’60, althans het populaire gebruik dominant werd: sinds de jaren ‘60 werd de verdere ontwikkeling van elektronische muziek in wezen een contrarevolutie waarbij de elektronica niet meer wordt gebruikt om “bizarre tonen” en een geheel nieuw soort muziek te produceren maar om traditionele muziek te “hercontextualiseren” zoals bij de elektronische uitvoering van werken van Bachs door Wendy Carlos in 1968 waarvan meer dan een miljoen exemplaren werd verkocht. De synthesizer zou later ook vooral populair worden als het instrument waarmee je een heel orkest in je keyboard hebt omdat de synthesizer alle klassieke instrumenten kan imiteren (maar dan met een inferieur en klinisch geluid) dan wel dingen kan doen die traditionele instrumenten niet kunnen doen terwijl het wel klinkt als traditionele instrumenten in plaats van dat het juist totaal anders klinkt dan de niet-elektronische traditionele instrumenten. In plaats van dat elektronica een muzikale revolutie veroorzaakte werd het geïntegreerd in de traditionele (pop)muziek. Min of meer parallel aan de synthesizer kwam de computermuziek op waarbij aanvankelijk kaarten met ponsgaten – men vergelijke de draaiorgel – aan de computer werd gevoerd en later software werd ontwikkeld waarmee iedereen op de computer kan componeren hetgeen de transformatie van muzikale revolutie naar democratische revolutie bevestigt: elektronische muziek maakt het maken van muziek voor iedereen toegankelijk – in het kielzog van de DIY-revolutie zoals de punk – zonder perse de muziek zelf te veranderen.

De documentaire vertelt ook een geschiedenis van de elektronische muziek maar dan met name door een aantal vrouwen te belichten die er iets aan hebben bijgedragen zonder veel structuur te geven aan het verhaal van de ontwikkeling van elektronische muziek als zodanig. De documentaire begint min of meer met de verder niet onderbouwde stelling dat vanaf het begin vrouwen, die in de nieuwe muziek geïnteresseerd waren, zich gretig toelegden op de elektronische muziek omdat ze die op eigen houtje konden componeren en uitvoeren dus zonder de bijna onoverwinbare drempels over te moeten in de door mannen gedomineerde conventionele muziekwereld. Ietwat in tegenspraak hiermee zou echter ook de elektronische muziekwereld door mannen gedomineerd worden waardoor vrouwen ten onrechte het idee kunnen hebben dat zij niet in staat zijn elektronische muziek te maken om welke reden de documentaire is gemaakt: door deze “onbekende helden” te eren, kunnen vrouwen zien dat andere vrouwen hen als pioniers voorgingen en zij zelfverzekerder zouden moeten zijn.

Wat de muziek zelf betreft lijken mannen en vrouwen niet verschillend: ook deze vrouwen waren van kinds af aan gefascineerd door bv. de white noise op de radio als je tussen stations wisselt en de sirenes die in de grote stad klinken (wat dat laatste betreft merk ik op dat de glissando van de klarinet waarmee Rhapsody in Blue begint een sirene imiteert en dat Edgar Varèse al vanaf z’n compositie Ameriques (1920-21) vaak echte sirenes laat klinken in z’n werken). Reeds omdat muzikanten bang waren hun werk te verliezen door het automatische karakter van elektronische muziek, mocht hun werk eigenlijk geen muziek heten maar bv. “electronic tonalities” of “radiophonic effects” die als soundtrack werd gebruikt bij speelfilms (bv. Forbidden Planet uit 1956), television plays of reclamespotjes vanwege de vreemde geluidseffecten. Behalve dat elektronische muziek een ietsje geëmancipeerder project was omdat het vrouwen de kans gaf mee te doen, is de aard ervan wellicht ook meer vrouwelijk dan mannelijk omdat de nadruk – heel postmodern – meer op het luisteren of het geluid zichzelf laten evolueren (zoals bij feedback) dan op het maken of bewust scheppen is komen te liggen. In de woorden van Laura Spiegel in de documentaire: we wilden niet zozeer een revolutie als wel dat muziek weer in contact met zichzelf zou komen. Wat dat betreft is de feministische boodschap van de documentaire – dat elektronische muziek vrouwen, die altijd hebben moeten zwijgen, de mogelijkheid gaf de stilte te doorbreken – ook wat paradoxaal omdat de elektronische revolutie tegelijk ook een antirevolutie van leren luisteren dus zwijgen werd.

avatar van cosmic kid
cosmic kid (moderator)
Prima inititiaf; ik heb alleen de topic titel aangepast en breder getrokken: "Muziek documentaires". Een dergelijk topic is er inderdaad nog niet en ik denk dat daar wel animo voor is.

avatar
Om geluid toe te voegen aan de tekst: ik denk dat Gesang der Jünglinge uit 1955-56 van Stockhausen een wonderschoon voorbeeld is van de nieuwe esthetiek waarover ik spreek en waarover Busoni al in 1907 droomde:


avatar
Mijn bespreking van Hitsville: The Making of Motown (2019)

Hitsville: The Making of Motown is een wat rommelige documentaire in de zin dat het duo Berry Gordy en Smokey Robinson als grondleggers van het legendarische Motown-label nogal spontaan allerlei anekdotes opdissen en er een enorme stroom van namen voorbij komen en je niet altijd weet wie wat zegt, maar de grote lijn is duidelijk: liedjesschrijver Berry Gordy werkte in de autofabriek in de befaamde motor town (Detroit), waar de naam Motown op is gebaseerd, en kwam op het lumineuze idee om een platenmaatschappij op te richten die is gebaseerd op de assembly line van de autofabriek. Van liedjesschrijver tot choreograaf: allerlei verschillende mensen voegen iets toe aan een lied, het geluid en de presentatie en uiteindelijk wordt – opnieuw net als in de autofabriek – in de quality control-vergadering bepaald of het lied wordt uitgebracht. En net als de autofabriek was het doel puur commercieel: het ging erom hits te scoren en geld te verdienen. En dat lukte al snel met Smokey Robinson als eerste mede-liedschrijver en ster: Motown werd een heuse hitfabriek. Daarbij zou Berry als coach vele getalenteerde artiesten opleiden en grote hits bezorgen: zelfs in de twee uur die de documentaire duurt wordt bij geen enkele artiest – zelfs niet een talent en ster als Stevie Wonder of Michael Jackson – lang stil gestaan omdat de lijst van Motown-sterren schier eindeloos lijkt. Als anekdote is het natuurlijk leuk te vertellen hoe juist de groepen en liedjes die men de minste kans gaf, Motowns grootste succesen werden zoals The Supremes met Diana Ross en het nummer I Heard It Though The Grapevine, zoals gezongen door Marvin Gaye, Motowns grootste hit werd.

De liedschrijvers en artiesten leverden competitie met elkaar om de grootste hit te maken en Motown wilde zelfs The Beatles van de troon stoten (dus nummer 1 op de hitlijsten staan boven The Beatles), hetgeen lukte met My Girl van The Temptations. Zo werd Motown het Amerikaanse geluid van de jeugd in de jaren ’60. Daarbij wordt ook stilgestaan bij de veranderingen in de VS wat betreft de rassenkwestie: zoals de documentaire Summer of Soul laat zien ontstond eind jaren ’60 een zwart bewustzijn dat Motown wel verguisde omdat Motown ook blanke medewerkers had en hun artiesten ‘wit’ zouden laten klinken om bij het blanke publiek hits te scoren. Motown streefde inderdaad naar hits bij het blanke publiek omdat zo veel mogelijk geld verdienen c.q. de grootste hits scoren nu eenmaal het doel was maar het opereerde bewust kleurenblind zonder onderscheid te maken tussen blank en gekleurd (vóór de ‘black is beautiful’-beweging werden gekleurde mensen nog coloured genoemd in plaats van black hetgeen ik vriendelijker vind klinken): het wilde simpelweg de grootste hits scoren en voor alles de beste mensen ongeacht hun huidskleur. Daarmee leverde juist Motown een belangrijke bijdrage aan de rassenemancipatie, zoals ook Martin Luther King erkende, want door zwarte artiesten (apolitieke!) hits te laten zingen die ook blanken mooi vonden en door die artiesten er mooi en chic uit te laten zien (dus niet als crimineel tuig zoals bv. de latere rappers) werden zwarte mensen acceptabel en integreerde Motown zo de gekleurde mens in de blanke maatschappij.

Maar een mens is geen auto: het succesvolle schrijversteam Holland-Dozier-Holland verliet Motown en artiesten als Stevie Wonder en Marvin Gaye wilden hun eigen gang gaan en bv. wel over politieke kwesties zingen. Het zou wellicht tot de grootste artistieke successen van het label leiden (Smokey Robinson noemt daarbij Marvin Gaye’s What’s Going On z’n favoriet album aller tijden) maar het zou ook het einde van Motown als hitfabriek inluiden. Maar de verdiensten van Motown staan buiten kijf: ze maakten hun slogan “The Sound of Young America” waar en hebben daarmee zeer bijgedragen aan de integratie van gekleurde mensen.

avatar
Mijn bespreking van Summer of Soul (...Or, When the Revolution Could Not Be Televised) (2021)

De identiteitspolitiek zoals die inmiddels ook Nederland heeft overspoeld heeft een belangrijke basis in het ‘zwarte bewustzijn’ dat eind jaren ’60 in de VS opkwam: Martin Luther King was een christen die had gedroomd van een kleurenblinde wereld maar mede omdat hij werd vermoord kwamen militantere leiders en bewegingen zoals Malcolm X en de Black Panthers die niet alleen het geweld en de revolutie maar ook de trots op het zwart zijn predikten. ‘Black is beautiful’ en James Brown (die overigens niet in de film voorkomt) zong “Say It Loud – I'm Black and I'm Proud”. De liberale droom van een kleurenblinde maatschappij waar iedereen gelijk is werd aldus verdrongen door een marxistisch zwart bewustzijn en sommige zwarte militanten predikten niet alleen revolutie maar zelfs segregatie tussen wit en zwart. Een deel van de militante zwarten verruilde daarbij bewust het christendom als ‘de religie van de onderdrukker’ die door de blanke kolonist was opgelegd voor de islam als ‘de religie van de onderdrukten’.

Deze documentaire is niet alleen de registratie van een muziekfestival maar ook van dat nieuwe zwarte bewustzijn in de VS. We leren overigens dat het ook deze revolutionaire beweging was die afdwong dat men zwarte mensen niet meer ‘negro’ maar ‘black’ noemt. De ‘negro’ is de slaaf, de onderdanige zwarte die in de entertainment als een afgericht aapje in een pakje z’n kunstje vertoont; de ‘zwarte’ is de zelfbewuste, zelfbevrijde persoon die zichzelf is en z’n zwarte roots niet verloochent maar die trots uitdraagt (bv. door het dragen van het afrokapsel). Zwarte muzikanten wilden niet meer wit klinken en kunstjes vertonen om bij het witte publiek te kunnen scoren - zie de bespreking van Motown hierboven - maar aansluiting vinden bij de eigen zwarte gemeenschap en hun zwarte pijn en trots uiten.

Zoals bekend heeft deze zelfbewuste zwarte muziek, in brede zin ‘soul’ geheten, z’n wortelen in de gospel dus de muziek die ze vaak zelf in de kerk zongen en in die zin ironisch juist christelijk is. We leren echter dat de ‘bezetenheid’ die zo kenmerkend is voor soul en gospel uit Afrika komt die een christelijke interpretatie of vorm heeft gekregen: door bezeten te raken en als het ware je pijn uit te schreeuwen is er de catharsis en verlossing. Deze dubbelzinnigheid blijkt kenmerkend voor de zwarte muziek: het is pijn en verlossing, het is verdrukking en bevrijding, het is rouw en hoop. Harlem, New York, waar dit festival in 1969 werd gehouden was in die tijd het toneel van drugs, geweld en rellen en er is de suggestie dat dit festival beoogde te voorkomen dat de zwarten de complete stad in brand staken – er hing revolutie in de lucht – maar wat we zien is het tegendeel van narigheid: de muziek lijkt z’n louterende werking niet te missen en we zien louter plezier, verbinding, hoop en (slechts) een revolutie in muziek en bewustzijn. Zelfs op mij als argeloze ‘witte’ kijker heeft het zien en horen van dit festival en deze muziek een louterende werking die me intens plezier verschafte en me herboren de bioscoop deed verlaten.

Black is beautiful – Amen.

PS. Dat deze documentaire nu pas is getoond omdat in die tijd niemand interesse had, terwijl Woodstock in diezelfde zomer zo’n 150 km verderop de geschiedenisboeken wel snel haalde, is inderdaad wonderlijk en wordt toegeschreven aan de witte onderdrukking die de zwarte geschiedenis structureel zou wissen, maar ik denk dat dat niet helemaal eerlijk is. Woodstock is een historische gebeurtenis omdat het festival transformeerde tot een soort utopisch experiment maar dit ‘black Woodstock’ was meer gewoon een festival voor de bewoners. Wat dat betreft is er gelijkenis met bv. de festivalregistratie Jazz on a Summer’s Day waarin overigens ook Mahalia Jackson de show steelt met haar louterende gospel.

avatar
Mijn bespreking van Jazz on a Summer’s Day (1959)

De film voelt als een jazz-versie van Woodstock en is een fijne registratie – soms van de muzikanten en soms van het publiek of de activiteiten bij het festivalterrein zoals zeilraces en een kermis – van nog fijner muziekspel op het jazzfestval in 1958. De film geeft zo een fraai tijdsbeeld van Amerika waarbij tegelijkertijd aardig wat jazz-grootheden de revue passeren. Waarschijnlijk is de gospelzangeres Mahalia Jackson een favoriet van de organisator en/of regisseur of misschien wel vooral van het gemengde publiek (volgens Malcolm X is Mahalia Jackson "the first Negro that Negroes made famous") want zij sluit af en heeft meerdere nummers in de film (niet onterecht want wat een alles omverblazende stem heeft zij!); een favoriet van mij, Thelonious Monk, kreeg daarentegen maar een kort stukje in de film. Van de minder bekende artiesten vond ik Anita O’Day een leuke verrassing omdat zij de typische jazz-zangeres is zoals je die in rokerige clubs in films ziet. Gerry Mulligan vond ik een frisse wind in het jazz-idioom maar het ligt waarschijnlijk aan mij dat ik deze grootheid nog niet kende.

avatar
Mijn bespreking van Rudeboy: The Story of Trojan Records (2018)

Zoals de titel al aangeeft vertelt de documentaire het verhaal van het Britse platenlabel Trojan Records maar daarmee natuurlijk dat van de muziek uit Jamaica (ska, rocksteady, reggae) die door Trojan Records naar Engeland werd gebracht en die een stempel zou drukken op de popgeschiedenis.

We leren dat Jamaica in de jaren ’50 een cultuur van sound systems ontwikkelde zodat men op feestjes plaatjes kon draaien in plaats van live muziek. Men draaide er Amerikaanse r&b maar omdat men plaatjes te kort kwam was er een stimulans voor Jamaicanen om zelf plaatjes te maken. Toen vele Jamaicanen in de jaren ’60 naar Engeland emigreerden namen ze die muziek mee waar het werd opgepikt door blanke skinheads die net als de Jamaicanen tot de arbeidersklasse behoorden: met de muziek en het uiterlijk (kort haar) zetten zij zich af tegen de hippies (lang haar) en de smaak van de elite zoals de BBC die neerkeek op deze muziek. Maar weldra bestormden de platen van Trojan Records de hitlijsten waarna ze bewust de Amerikaanse Motown van de troon probeerden te stoten en de reggae vercommercialiseerden door er strijkers aan toe te voegen waardoor het ook meer een soulgeluid kreeg (de skinheads hielden niet van deze zoetigheid en imiteerden daarbij liever de stijl van de Jamaicaanse gangsters die men rudeboys noemde). In 1975 ging het platenlabel failliet maar de muziek heeft behalve legendarische nummers ook de multicultuur nagelaten (men vergelijke ook in dit opzicht het belang van Motown voor de VS): de muziek uit Jamaica verenigde wit en zwart op de dansvloer.

De documentaire heeft m’n interesse gewekt voor die oudere, nog duidelijk in de r&b gewortelde ska/reggae van Trojan Records als de Britse tegenstrever van Motown – van voor de (politieke) ‘rootsreggae’ van onder meer Bob Marley die we veel beter kennen – en dat maakt de documentaire in mijn geval dus sowieso succesvol.

avatar van herman
Leuk topic. Ik zal ook eens een duit in het zakje doen. Vorige week keek ik:

Italo Disco. The Sparkling Sound of the 80s | IFFR

Leuke docu als je een zwak hebt voor de muziek. Het begint eigenlijk al halverwege de jaren '70, als een steenrijke zakenman in een Italiaanse badplaats een gigantische club laat bouwen waarin geen decor te gek is. Er vliegen nog net geen UFO's door de zaal, maar veel scheelt het niet. De DJ's staan in een glazen lift die van de ene naar de andere etage gaat. Al snel duikt de ene na de andere extravagante club op. Een van de italopioniers die aan het woord komt, noemt dit eigenlijk het begin van de DJ-cultuur zoals we die nu kennen.

Een paar jaar verder in de tijd wordt Easy Going gezien als een van de groepen die als eerste italohits scoorde. Het nummer dat voorbijkomt is niet heel bijzonder, maar de vrolijke (alle kleding in de kleuren van de Italiaanse vlag) en energieke voordracht vergoedt veel, zo niet alles. Via Giorgio Moroder wordt al snel een eerste brug geslagen tussen de Europese en Amerikaanse disco; de Italiaan neemt met Donna Summer I Feel Love op in een geavanceerde muziekstudio in München. De jaren erop waaiert het italogeluid verder uit over de wereld en zeker ook in de VS en Canada.

Leuke aan de docu vond ik de enorme passie waarmee oudgedienden en een aantal diep ingevoerde liefhebbers vertellen over de muziek en soms hun eigen rol hierin. Vamos a la Playa lijkt op het eerste gehoor een niets-aan-de-zomer-hit, maar staat als we de producers en uitvoerend artiest Righeira moeten geloven bol van de koudeoorlogangst. Ook de bijdrage van Linda Jo Rizzo over The Flirts is amusant. Zij geeft aan dat de zangeressen die je zag daar alleen maar voor de sier stonden en de muziek werd ingezongen door compleet andere (betere, maar minder knappe) zangeressen. Iets waarbij Milli Vanilli de hele wereld over viel, maar hier totaal geen haan naar kraaide.

Geen idee of deze docu de komende tijd nog op streaming media verschijnt, maar wie iets heeft met de muziek kan ik hem zeker aanraden.

avatar van trebremmit
Op youtube staat de eerste aflevering van een serie over de geschiedenis van de electronische muziek, deze serie is gemaakt door Moog.

GIANTS | Herb Deutsch

Moog launches new docu-series on the early days of electronic music | DJMag.com

avatar
Biography: The Nine Lives of Ozzy Osbourne (2020)

Deze documentaire gaat over het leven van John Michael “Ozzy” Osbourne, die het grote publiek vooral kent als de ster van de eerste realityshow op televisie met een (pop)ster als middelpunt en in lijn daarmee heeft de documentaire in hoge mate een roddelrubriekkarakter: vele hoogte- en dieptepunten van Ozzy’s privéleven passeren de revue terwijl de muziek – de documentaire lijkt nauwelijks te erkennen dat hij in een legendarische rockgroep zat – een ondergeschoven kindje is.

Toch is dat leven interessant in het licht van de muziek. We leren dat Ozzy een typische loser was: afkomstig uit een arm arbeidersgezien, onzeker en pispaaltje op school en snel verslaafd aan drank en drugs om aan de werkelijkheid te ontsnappen. Maar om de klappen te ontwijken speelde hij de clown en hij ontdekte dat hij het leuk vond om te entertainen en op het podium te staan. Samen met andere kansloze arbeidersjongens – de gitarist Tony Iommi verloor in de fabriek nota bene twee vingers van de hand waarmee je de snaren indrukt (maar dit soort informatie zit al niet in de documentaire)! – begint hij in een bandje te spelen dat later Black Sabbath werd. De band speelde blues(rock) en bij toeval kwam men op het idee om het muzikale equivalent van een horrorfilm te maken: dat was een gouden vondst want het voegde aan de blues(rock) een duistere, onheilspellende sfeer toe met een typerend zwaar geluid waarop Ozzy Osbourne nerveus vocaal ‘danst’. Het visitekaartje – het nummer Black Sabbath – was meteen raak en duidelijk gebaseerd op de ‘tritonus’ die een dissonant is en wel met de duivel werd geassocieerd maar die ook de basis van de blues vormt.

Black Sabbath produceerde een uniek geluid en bracht een nieuw genre voort: heavy metal. De critici vonden het niks maar ik denk dat het publiek gelijk had en dat Black Sabbath moeilijk onderschat kan worden: juist de sfeer van doom en het ‘pulp’-karakter – in vergelijking met andere ‘serieuze’ hardrockbands zoals Led Zeppelin en Deep Purple is Black Sabbath een soort cartoon – maken de muziek bijkans een soort kunst zoals bv. ook The Velvet Undergound rock ‘n’ roll tot kunst verhief door die uit te benen, te vervormen en er een duistere, mysterieuze sfeer aan toe te voegen. En net als The Velvet Underground eindeloze navolgers kreeg zonder dat een ervan zelfs maar in de buurt kwam, zo ook bleef Black Sabbath tot op de dag van vandaag de grote inspiratiebron voor praktisch alle heavy bands maar Black Sabbath blijft op eenzame hoogte. En daarbij spelen de muzikanten van Black Sabbath geweldig: net als Led Zeppelin en Deep Purple is het een soort elektrisch versterkte jazz waar niet een zanger begeleid wordt maar alle muzikanten gelijkwaardig zijn en competitie leveren om individueel de sterren van de hemel te spelen.

Black Sabbath is dan ook een bijzonder iconische band die denk ik niet toevallig is ontstaan uit losers uit een arbeiderswijk: het is muzikale pulp maar zo uniek en goed dat het een goed voorbeeld is hoe op een postmoderne wijze lage cultuur (pop) iets magisch kan krijgen en bijna kunst kan worden. Maar daar gaat de documentaire niet over: die gaat over Ozzy en zijn drank- en drugsmisbruik, zijn rondneuken, zijn afbijten van de koppen van duiven en vleermuizen, z’n relatieperikelen en het telkens neergaan door de drankverslaving om erna toch weer op te krabbelen. En over zijn succesvolle solocarrière met Randy Rhoads met wie hij meer de poprichting in ging. Maar bovenal over hoe hij zelf het meest verbaasd is over zijn succes: Ozzy is een doodgewone jongen en een clown maar juist daarom herkennen mensen zich in hem en vinden ze hem leuk terwijl hij nietsvermoedend met de anderen van Black Sabbath op bijna duivelachtige wijze iets heeft neergezet waarmee hij boven zichzelf uitsteeg en popgeschiedenis schreef.

avatar
Licht (2022)

Ik denk dat The Beatles zo ver boven de andere popgroepen en artiesten uitstegen omdat ze niet alleen goede songwriters waren maar ook oprecht geïnteresseerd waren in alle nieuwe vormen van muziek die ze konden vinden om die vervolgens op te zuigen, van artistieke avantgardegroepen zoals The Velvet Underground tot Indiase ‘klassieke’ muziek en hedendaagse Westerse kunstmuziek. Zowel Paul McCartney als John Lennon werden – toen hun muziek serieuzer werd – geïnspireerd door avantgardecomponisten zoals John Cage, Luciano Berio en Karlheinz Stockhausen. Bv. Revolution 9 is direct geïnspireerd door Berio’s (derde deel van) Sinfonia. Maar Berio was (net als The Beatles) weer geïnspireerd door met name de elektronische muziek en musique concrète van Stockhausen die wereldberoemd was geworden door z’n wonderschoon elektronisch werk Gesang der Jünglinge uit 1956 (zie m’n eerste bericht in dit draadje over elektronische muziek). The Beatles waren zo’n fan van de muziek van Karlheinz Stockhausen dat ze zelfs een foto van de componist op de hoes van hun album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band plaatsten. Maar waar Berio zelf een fan was van The Beatles, leren we in deze documentaire over Stockhausens project Licht dat Stockhausen alle populaire muziek totaal minachtte.

Ook andere grote popartiesten bestudeerden overigens de muziek van Stockhausen waaronder The Who, Pink Floyd, Jefferson Airplane, The Grateful Dead, Frank Zappa en later Björk (alsmede jazz-grootheden zoals Miles Davis) en onder meer de experimentele groepen Can en Kraftwerk zouden bij Stockhausen in de leer zijn geweest, maar hun enthousiasme voor Stockhausens muziek lijkt niet te zijn overgeslagen naar het poppubliek. Ikzelf ben geheel opgegroeid met popmuziek maar in mijn muzikale honger heb ik als 13-jarige of zo qua klassieke muziek ook Mozarts 20ste pianoconcert en een werk van Stockhausen op een cassettebandje opgenomen (ik heb geen idee hoe ik aan die werken kwam). Uit gebrek aan cassettebandjes heb ik snel erna Stockhausen overschreven, zodat ik niet meer weet welk werk ik had opgenomen, maar ik kreeg er weldra spijt van want dat werk deed me wel wat. Stockhausen geldt als mogelijk de belangrijkste muziektheoreticus van na de Tweede Wereldoorlog die zijn muziektheorie in allerlei artikelen e.d. uitlegde, maar toch is zijn muziek vrij toegankelijk, waarschijnlijk omdat Stockhausen toch vooral vanuit zijn gevoel of intuïtie componeerde (tegen de achtergrond van zijn baanbrekende muzikale theorieën en experimenten), zodat je geen muziektheorie hoeft te kennen om zijn muziek intuïtief te kunnen waarderen. Je hebt alleen een open muzikale geest nodig om Stockhausens avontuurlijke stappen in nog onontgonne muzikale terreinen te kunnen volgen, welke ruimdenkendheid bij de gemiddelde popliefhebber klaarblijkelijk ontbreekt – Stockhausen verfoeide alle muziek die geen kunstmuziek is omdat alleen kunstmuziek open staat voor nieuwe ideeën – maar die bij The Beatles en ook bij mijzelf wel aanwezig was zodat ik altijd een liefhebber van Stockhausens muziek ben gebleven.

Deze documentaire is gemaakt door Oeke Hoogendijk die met Mijn Rembrandt een vreselijk slechte documentaire had gemaakt maar ondanks dat zij hier een beetje dezelfde procedé volgt van observeren wat er achter de schermen in de kunstwereld gebeurt (zonder dat we iets leren over de kunst zelf) vanwege mijn liefde voor Stockhausens muziek wilde ik ‘m toch zien. Deze documentaire observeert een beetje de totstandkoming van het grootste muzikale project aller tijden: een uitvoering van Stockhausens operacyclus Licht. Stockhausen was een modernistisch (en daarmee op het abstracte gerichte) componist in de zin dat hij de gehele wereld wilde omvatten en een universalistische boodschap van verbroedering en spirituele verheffing uitdrukte – zijn muziek is in die zin wereldmuziek à la lettre – waarbij hij in dit werk bijna letterlijk alles wil omvatten in de vorm van een “eeuwige cyclus” van de dagen van de week: het werk bestaat uit 29 uur muziek, verdeeld over zeven opera’s ofwel dagen waarvan niet één het begin of het einde van de cyclus vormt.

Licht is Stockhausens levenswerk, maar zoals verwacht leren we in de documentaire niet veel over de muziek als zodanig: het laat vooral de dirigent en Stockhausens gezin (Stockhausen is in 2007 gestorven) spreken over hoe ambitieus het project is en hoe zij er tegen aan kijken. We leren dat Stockhausen helemaal voor z’n muziek leefde, dat hij egoïstisch en kinderlijk was, ook modern qua liefde was met eindeloos veel minaressen en z’n leven lang het bed met meerdere jonge vrouwen tegelijk deelde en dat hij zijn vrouwen plus zijn zes kinderen inlijfden in zijn muzikaal universum waarna we leren over de muzikale projecten van de kinderen, dat Stockhausen kinderen die kritiek op zijn muziek hadden nooit meer wilde zien (univeralisme leidde aldus ook tot totalitarisme) en dat uiteindelijk al zijn kinderen met hem braken maar zich na zijn dood ook weer met hem verzoenden. De boodschap is dat genieën beter geen kinderen kunnen nemen en dat Stockhausen zelf een groot kind was die daarom zulke open, utopische muziek kon maken. We leren dat in Licht niet alleen de zangers maar ook de muzikanten moeten acteren en dat de muziek waanzinnig complex is; de seriële muziek van onder meer Stockhausen die alle klassieke wetten van ritme, melodie en harmonie doobreekt is een marteling voor zowel de uitvoerende als de luisteraar volgens een weduwe van Stockhausen. Ook is er even aandacht voor het bekendste stukje uit het werk waarin een strijkkwartet vanuit vier helicopters speelt. Op Wikipedia lees je overigens interessantere informatie over Stockhausen en z’n muziek die de documentaire overigens wel onderstreept: zo noemde Stockhausen de aanslagen van 9-11 het grootste kunstwerk omdat zowel de kunstenaars als het publiek sterven tijdens de uitvoering ervan…

De documentaire cirkelt op een weinig interessante wijze rond z’n onderwerp van Stockhausens muziek met tal van onbelangrijke details, zoals dat Stockhausens schoenmaat 46 is, met de focus vooral op de problematische gezinssituatie zonder veel licht te werpen op Stockhausens muziek. Het tekent Hoogendijk die opnieuw laat zien geen goede kunst- of muziekdocumentaire te kunnen maken, al is het prijzenswaardig dat zij in ieder geval aandacht geeft aan Stockhausen die zowel als persoon als wat zijn werk betreft wellicht de meest controversiële figuur in de muziekgeschiedenis is. Dat maakt zelfs het oninteressante kijkje in zijn privéleven toch nog een beetje interessant en het nodigt uit om snel naar Stockhausens muziek, die avantgarde en een zekere intuïtieve maar abstracte schoonheid combineert, te gaan luisteren.

avatar
Stijn_Slayer
Je bent waarschijnlijk de enige die Stockhausen toegankelijk noemt. Helikopterstrijkkwartet of Gesang der Junglinge, Stimmung, Mantra. Het maakt niet uit wat je kiest, maar toegankelijk is het zeker niet. Ik denk dat de gemiddelde MuMe'er gillend wegrent. De stap van bijv. een Steve Reich naar Stockhausen is nog altijd enorm.

Wel nieuwsgierig geworden naar de documentaire. Stockhausen is een van de grootste vernieuwers en kunstenaars binnen de hedendaagse muziek.

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 18:42 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 18:42 uur

Let op: In verband met copyright is het op MusicMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.