Dus ja, deze plaat heeft me de afgelopen week wel redelijk obsessief beziggehouden. Een lp waar ik me steeds trotser eigenaar van voel, het album dat het vaakst de naald van mijn nieuwe platenspeler heeft gevoeld.
Gisterenavond heb ik ‘m echter een keer van Spotify gedraaid, en dat gaf me ook de gelegenheid om de tracks op dit album te vergelijken met de originelen van het Duke Ellington-orkest (voor zover beschikbaar). Door eerst die originelen te draaien en daarna de versies van Lacy en Waldron, kreeg ik nog meer respect voor deze plaat dan ik al had.
Probeer het maar eens: zoek op Spotify het origineel op van opener Johnny Come Lately (alleen te horen in een nogal matige live-opname op iets dat ‘The Treasury Shows’ heet, helaas) en zet daarna deze plaat op. Hoor wat deze twee heren gedaan hebben met deze melodie, welke totaal nieuwe betekenissen ze eraan geven.
Dat is een van de mooiste dingen van jazz, artiesten die de ruimte krijgen om met hun instrumenten helemaal hun eigen persoonlijkheid te geven aan een melodie. Zoals het beroemde voorbeeld van John Coltrane met ‘My Favorite Things’. Wie wist dat een vrij kinderachtig musicalliedje zo zou kunnen klinken, die diepere lagen aan emotie en betekenis zou herbergen? Dat is wat Lacy en Waldron hier doen, de hele plaat lang, met de composities van Duke Ellington en zijn vaste kompaan Billy Strayhorn.
Ellington is één van de moeilijkste jazzmuzikanten om te leren kennen. Allereerst is er gewoon geen beginnen aan. Als je zijn twintig belangrijkste platen luistert, heb je net het topje van de ijsberg. De man heeft duizenden opnames gemaakt, het bestuderen van zijn oeuvre is een wetenschap op zich.
Ten tweede zijn de platen van het Ellinton- orkest niet altijd gemakkelijk voor de moderne luisteraar. Duke had altijd topmuzikanten in zijn orkest, en zijn gevoel voor melodie (en dat van Strayhorn) was van de buitencategorie. Maar behalve dat zijn groots opgezette swing ietwat gedateerd klinkt voor 21e eeuwse oren, zit er vaak een soort dandyeske afstand in zijn muziek, die moeilijk te doorgronden is.
Daar hebben we hier geen last van. Steve Lacy dringt met zijn sopraansax recht in tot in de laag van broeierige romantiek die bij Ellington altijd onder de oppervlakte sluimert. Door de mooie opname klinkt hij krachtig, maar zijn spel is vooral kwetsbaar. Bijna zoekend, alsof hij de uitroeptekens van het orkest ombuigt naar vraagtekens.
Mal Waldron (met zijn linkerhand en rechterhand eigenlijk twee instrumenten) stelt zich bescheiden op als Lacy speelt, waardoor je aandachtig moet luisteren om te horen hoe knap hij kaders neerzet, stiltes gebruikt, kleine versieringen aanbrengt, met zijden handschoenen zijn gevoel voor timing oplegt aan het verhaal. En als het dan zijn beurt is om te soleren, blijft hij eigenlijk constant strak op de melodie, en toch kun je geen moment voorspellen welke noot hij als volgende gaat spelen spelen, en wanneer, en hoe.
Het is, op een bepaalde manier, bijna Art Tatum-achtig, maar dan zonder de hyperactiviteit. Alsof alle mogelijkheden en variaties tegelijkertijd in zijn hoofd zitten, en hij alleen maar de keuzes hoeft te maken die hem het meest na aan het hart liggen op dat moment. Echt majestueus.
En de composities zijn erg goed. Dit zijn immers Ellington en Strayhorn, twee van de meest bewonderde componisten in de jazz. De vertolkingen door Lacy en Waldron ademen niet alleen een diep respect voor de oude meesters, ze uiten hun liefde ook door juist hun eigen draai eraan te geven, hun eigen gevoel te volgen. En door het samen te doen: de chemie tussen beiden heren is bijna een extra instrument op deze plaat.
Dit werkje heeft zowel mijn interesse in Ellington vergroot als in de duoplaten van deze twee heren, wat weer allerlei andere fijne ontdekkingen heeft opgeleverd. Van Waldron en Lacy gaat in ieder geval meer werk in huis komen, bij voorkeur op Vinyl. Dit prachtige feestje van melodie en expressiviteit, intussen, zou met nog een paar kritische luisterbeurten zomaar naar de vijf sterren kunnen doorgroeien.