De derde van Babe Ruth was titelloos, waarmee vaak wordt aangegeven dat dit een (her)definiëring van stijl en imago betekent.
Ik hoor een overeenkomst met Thin Lizzy; niet in muzikaal opzicht, wél in het zoeken naar een eigen geluid. Ook bij de Ierse groep was de eerste nog wat onduidelijk en de tweede zelfs een teveel aan uitersten. Met de derde definiëerden beide groepen zichzelf, in dit geval benadrukt door de hoes. Hierop is Babe Ruth gestoken in Amerikaanse westernkleding uit het midden van de 19e eeuw.
Geen soul, funk of verstilde filmmuziek meer. Het vijftal brengt nu vooral stevige rock, wat de hoofdmoot van
Babe Ruth vormt. Toch klinken soul, funk en film af en toe door, waarover dadelijk meer. Nieuw in de groep was toetsenist Steve Gurl, overgekomen van het ter ziele gegane
Wild Turkey, de groep rond ex-Jethro Tullbassist Glenn Cornick. De bijdragen van derde toetsenist op evenzoveel Babe Ruths verrijken de luidere koers.
De eerste twee nummers zijn midtempo, waarbij ik
Dancer een sterkere compositie vind dan
Somebody's Nobody, al heeft de laatste héérlijke marimba in de opening en zingt gitarist Alan Shacklock een enkele regel. Bij beide tracks vraag ik me af waarom ik de naam van zangeres Jenny Haan niet kende: zij zingt namelijk de sterren van de hemel, ergens tussen Janis Joplin en Tina Turner in. Een onverwachte bijvangst in de autobiografie van gitarist Bernie Marsden die ik momenteel lees.
Met
A Fistful of Dollars gaat het tempo omhoog. De titel verwijst naar de gelijknamige western en het bijbehorende
filmthema is omgebouwd tot een stevige rocker, waarop vooral Shacklock zijn kunnen op gitaar toont. Al op de vorige albums klonk een fascinatie voor westerns. De Britse groep klinkt net zo Amerikaans als de Italiaanse westernfilmcomponist Ennio Morricone.
We People Darker Than Blue begint rustig en laat zelfs zwoele dwarsfluit horen, tot na twee minuten het tempo omhoog gaat om na enige tijd terug te keren naar het begintempo, maar nu rockend. Haan zingt weer heerlijk.
Kant 2 begint uptempo met
Jack O' Lantern. Iedere stereohoek heeft zijn eigen gitaarpartij, tijdens de knallende gitaarsolo wordt de gitaarmuur hoog á la Tony Iommi.
Daarna zingt deze Shacklock weer:
Private Number is een romantisch duet met daarin fraaie versiersels op de Moog van Gurl. Afhankelijk van de sfeer van een nummer komen in mijn brein meer zangassociaties voorbij. Hier moet ik warempel denken aan de muziekspinsels die Jim Steinman voor Meatloaf en Ellen Foley schreef, ook al zo'n zangeres met grote longen.
Turqouise is akoestisch en bevat fraai flamencospel, een heerlijk rustpuntje op dit album, alweer geknipt voor Haan.
Sad but Rich rockt funky en daarmee is mijn volgende associatie die met Joyce Kennedy van Mother's Finest. Bijzonder hoe "zwart" Haan hier klinkt, met na anderhalve minuut een blokje Moog in de sferen van het Nederlandse Earth & Fire of het Britse Uriah Heep; de verdienste van Gurl. Jammer dat het nummer wordt weggedraaid: dit verdiende een spetterend slot.
Afsluiter
The Duchess of Orleans begint met Sherlocks zang, waarna Haan het overneemt. Typisch in de rockende sfeer van midden jaren '70 zijn mijn laatste associaties die met Ann Wilson van Heart, de groep die het jaar erop zou debuteren én met Grace Slick van Jefferson Starship. Het is echt niet raar om te stellen dat Jenny Haan zich met alle genoemde zangeressen kan meten, wat het raadsel van de (Europese?) onbekendheid van de groep alleen maar vergroot.
De derde Babe Ruth was tevens hun meest succesvolle: in de V.S. #75 in maart 1975, in Canada #85;
de week dat
Physical Graffiti van Led Zeppelin in Amerika de #1-positie bereikte. In eigen land deed het album traditiegetrouw niets. Hun laatste voor het label Harvest en tevens de laatste die op mijn streaming platform is te vinden.
Voor
het vervolg moet ik naar YouTube. Die verscheen nog datzelfde 1975 bij Capitol en is de reden dat ik überhaupt Babe Ruth ontdekte. Dit vorige week, dankzij de toetreding van de latere Whitesnakegitarist Bernie Marsden, zoals verteld in zijn bio.