Vooruit dan maar, ik zal mijn mening toedichten over het waarom dat ik dit een vijfsterren-plaat vind.
Het was tijdens de millenniumwisseling en critici declareerden voor de zoveelste maal de dood van popmuziek, waarschijnlijk vanuit een fin de siècle onderbuikgevoel, maar ze zijn wel vaker geneigd om ons wijs te maken dat het een en ander weer aan het stuiptrekken is, of dat het slecht weer gaat worden terwijl de zon schijnt.

Het was 2000 en ik zat nog niet aan de digitale pindakaas, helaas moest ik me beroepen op de vakkundige (ahum) kennis van popcritici in hun hippe modebladen als Oor en consoorten.
Nu kunnen we goed met elkaar overweg, ondanks de haat-liefde verhouding die zich in de loop der jaren heeft opgebouwd, soms zou ik in een guitige bui meteen piëdestals voor hen metselen, een andere keer sta ik al klaar om deskundige nekschoten uit te voeren maar als het om deze plaat gaat zijn we weer dikke vrienden.
Ja, er was weer crisis, en ja er was weer bloedarmoede, Im Westen nichts Neues under der Sonne…
Tot de brave heren deze potsdragende troubadour naar voren schoven (lees : hypen, maar dat zou ik enkel schrijven wanneer mijn mening haaks tegenover die van hen stond.)
Iemand die met zijn gevoosde klankentapijten de middelmatici in popmuziekland ging pareren met een eigenzinnig lapjesdeken waarop hij schone muziekjes in elkaar had geweven met een naald die altijd even scherp staat maar soms al eens averechts durft te prikken of wat steken durft over te slaan om hybride breiwerkjes te boetseren, maar hé, dat was de charme van deze plaat dan ook.
De gebruikelijke thema’s hebben allemaal hun zitje gekregen in dit eenmanstheater, wat zouden we immers doen zonder de smarten en de geneugten van popartiesten om weer de schaamteloze voyeur te kunnen uithangen? Popmuziek is immers uitgevonden door vrouwen die midden in de nacht met koffers en huisraad vertrokken en de gedupeerde achter lieten zonder afscheidsbriefje, al is de oorsprong van popmuziek onderwerp tot exegese.
Maar dat beeld heb ik dus voor de schone ogen : Iemand die alleen wakker wordt, cello’s kondigen tegelikjertijd de komst van de ochtendzon aan en het vertrek van die weerbarstige trut (niet dat ik trut als equivalent van vrouw wil gebruiken, eerder een degradatie in dit geval)
Er rest enkel nog een raam om door te kijken en een beslissing te nemen. (springen of de wereld intrekken, m.a.w. de juiste manier van vluchten bepalen)
Badly drawn boy is geen muts en kiest dan ook om de wereld in te trekken, dit resulteert in een lange rit langs oude monumenten waarbij het rifje van everybody’s stalking als brandstof voor motor en gemoedstoestand dient.
Maar hier begint de reis past, weerbarstig als het wegennetwerk voor zelfverklaarde verliezers is slingert het naar alle mogelijke windrichtingen , zo speelt een elegie (Bewilder) van de eigen ondergang een intro voor een drieluik (Fall in a River, camping..,Stone..) dat veel weg heeft van een eenzame tocht door de bossen, een zoektocht naar het introverte, naar de innerlijke dichtbegroeiing van de ziel om de houtblokjes ervan te sprokkelen. Kamperen als metafoor voor het vinden van je eigen essentie, Feng Shui aanhangers zouden het niet beter kunnen uitvinden.
Vanaf Another Pearl krijgt de plaat weer een stel nieuwe kloten, het introverte ruimt plaats voor het extraverte waarbij de stemmingen in de volgende nummers weerbarstiger dan ooit zullen worden, de muziek ‘flipperkast’ zich een weg door de plaat, van dodelijk dansbare jazz(once around the Block) tot romantisch melancholische dagdromerij (magic in the air) , tot claustrofobische rock die overgaat in apathisch aandoende spookhuismuziek (Cause A Rockslide)
Badly Drawn Boy pist tegen de wind in, maar krijgt er gelukkig geen spleetogen van zoals het oude spreekwoord luidt, enkel illusies worden weggespoeld met onverwachte regenbuien maar de moraal is dat het sterke hart zal triomferen. Een spier die zelden gespaard wordt dient dan ook immer hard te zijn.
Disillusion is disco die zijn best doet om niet vrolijk over te komen, want vrolijkheid zou misschien passen in Disneyfilms, maar niet op deze plaat. ‘I didn’t mean to fall in love’ Zo krijgt deze disco zonder glitters zijn bestaansrecht, of had u hem liever met plateauzolen over de neongekleurde vloeren zien schuiven, nee toch?
Soms lijkt het wel of hij plezier schept uit dit tragedie, say it again zet de traditie verder met een vals luchtig melodietje dat me meteen sarcasme! doet roepen, uitgelaten blazers ondersteunen mijn vermoeden gelukkig, iemand vals betichten is immers niet netjes.
De plaat wordt beëindigd met zingende vogeltjes en B.D.B. die please don’t leave me wanting more’ tegen een klaagmuur prevelt. Natuurlijk moet de plot van deze reis in mineur eindigen, anders zouden we het ons er al te makkelijk van afbrengen. Wat achterblijft is zowel hoop als wanhoop, de compromis die het leven in stand houdt.
Ja, de critici hadden het nog eens bij het rechte eind, maar dat is natuurlijk zo subjectief als dat het groot is, anderen zullen klaar staan om hen nekschoten toe te dienen, ik bied hen dan ook verschuiling achter mijn piedestal aan, al was het maar voor deze plaat. Zo eerlijk ben ik dan ook wel in mijn oordeel, net als de plaat, die eerlijk is in zijn zelfrelativering en miserie, maar hé, compromissen weet u nog?