De grootste verdienste die we ‘Jazz Abstractions’ (van de mij vooralsnog onbekende John Lewis) kunnen toedichten, is dat hij een allegaartje aan jazz-stijlen in één album weet te gieten (van steelse, boppy drumpartijen tot regelrechte free-jazz); een plaat die qua stijl behoorlijk consistent overkomt.
Zoals ik al aangaf liggen de composities qua stijl zeker in elkaars verlengde, maar toch wringt het. De momenten waarop meerdere solisten tegelijk improviseren ondergraven het fundament van de nummers, en getuigen volgens mij van Lewis’ overdaad aan ambitie.
Bovendien kunnen alle grote namen die aan het project deelnemen (Dolphy en Coleman leven zich uit in de chaotische Monk-variaties, terwijl Hall in ‘Piece For Guitar And Strings’ zijn haast filmische stijl bovenhaalt) de muziek niet minder kil maken, een gevoel dat ik overigens vaak heb bij vroeg 20e-eeuwse klassieke muziek – alsof muziek niet langer draait om passie, maar om rede. De abstracties zijn namelijk zodanig ver doorgedreven dat de “jazz” niet langer aan het oppervlak voor het grijpen ligt, maar zich uit in spontane erupties van bijwijlen ijzingwekkende atonaliteit.
Echt slecht is ‘Jazz Abstractions’ niet, omdat er zo nu en dan een prachtig harmonisch gedicht ontstaat, boordevol suggestie. Anderzijds heb ik het gevoel dat de muzikanten zichzelf niet kunnen zijn, en teveel binnen de regels van de 'Third Stream' denken terwijl ze spelen. Coleman en Dolphy blijven voor mij altijd luidruchtige free-jazzers, terwijl Evans en Hall een intiemer spectrum bestrijken. Een poging tot het verzoenen van deze uitersten, levert voor mij de absolute middelmaat.